Klikzink
Een sporthal heeft meestal één groot, doorlopend dakvlak zonder tussensteunpunten, dakkapellen of opgaande delen die de sneeuw ophouden. Dat maakt het dak anders dan een woonhuis met schoorstenen, dakramen en hoekjes waar sneeuw kan blijven liggen. Op een sporthal glijdt sneeuw vrijwel ongehinderd van nok naar goot, over de volle lengte van de baan, en dat is precies waar de eigenschappen van een gladde, doorlopende felsbaan gaan meespelen.
Een felsbaan is een strak, glad stalen vlak met een fels van 35 mm die haaks opstaat. Er zitten geen klemmen, beugels of paneelranden boven het vlak die de sneeuw kunnen vasthouden. Sneeuw die op een gewoon paneel op beugels valt, blijft vaak deels liggen tegen de rand van het frame of de klemmen, en smelt daar geleidelijk af. Op een felsbaan, met of zonder geïntegreerde zonnecellen, is er geen rand om iets aan vast te houden. De sneeuw ligt op een vlak dat overal even glad is, cel of geen cel, en dat vlak loopt in één lijn door tot de goot.
Het gevolg is dat sneeuw op zo'n dak niet in kleine beetjes afsmelt en druppelt, maar in grotere vlakken tegelijk gaat bewegen zodra de temperatuur van het staal boven het vriespunt komt of de zon er even op staat. Bij een steil dakvlak kan dat een pak sneeuw zijn dat in één keer naar de goot glijdt en daar met een zekere snelheid aankomt. Bij een flauwer hellend dak, wat bij sporthallen met hun grote overspanning vaker voorkomt, gaat dat proces geleidelijker, maar de sneeuw verzamelt zich uiteindelijk op dezelfde plek: de goot, en wat daaronder of daarachter ligt.
Bij een woonhuis is de goot meestal recht boven een tuinpad of een border, en een vracht sneeuw die daar valt is vervelend maar niet gevaarlijk. Bij een sporthal ligt de situatie anders. De gevel loopt vaak door tot aan een inrit voor bevoorrading, een fietsenstalling, een nooduitgang of een looproute waar tijdens een training of wedstrijd mensen in en uit lopen. Een groot overspannend dak zonder tussensteunpunten betekent ook een lange, ononderbroken gootlijn, en dus een lange strook waar sneeuw en ijs zich in één beweging kunnen verplaatsen naar beneden.
Dat is geen reden om van een felsdak af te zien, maar wel iets om bij het ontwerp van de goot, de overstek en de looproutes onder het dak in te calculeren. Bij bestaande sporthallen die wij hebben gezien, wordt dat meestal opgelost met een ruim gedimensioneerde goot met sneeuwvanggeleiding waar nodig, en met een overstek of luifel op de plekken waar mensen structureel onder het dakvlak door lopen. Dat is bouwkundig maatwerk per gebouw en per hellingshoek, en dat rekenen wij niet blind uit op een website maar op tekening, samen met de architect of aannemer.
De zonnecellen liggen in het vlak van de baan, niet erboven, en hebben dezelfde matte, donkere afwerking als de banen zonder cellen. Dat betekent dat een sneeuwpak de cellen op dezelfde manier bedekt als de rest van het dak: gelijk met het vlak, zonder een rand die een schaduwstrook of een opeenhoping veroorzaakt zoals bij een paneel dat een paar centimeter boven het dak uitsteekt. Zolang er sneeuw op ligt, wekken die banen logischerwijs niets op, net zoals elk zonnepaneel onder een sneeuwdek stilligt.
Het gladde vlak dat sneeuw makkelijker laat glijden, is voor de opwekking overigens niet alleen een nadeel. Een paneel op beugels houdt vaak een randje sneeuw langer vast dan het vlak daarachter, met een schaduwrand als gevolg zodra de rest al vrij is. Bij een felsbaan zonder opstaande delen is dat verschil er niet: als het gaat glijden, glijdt het in één keer van het hele vlak, en ligt de baan er weer vrij bij. Hoeveel dat in de praktijk uitmaakt voor de opbrengst over een winterseizoen, verschilt per dakhelling, ligging en winter, en dat rekenen we niet hier maar op basis van de tekening van het gebouw.
Een sporthal verbruikt doorgaans niet overdag, wanneer de zon op het dak staat, maar 's avonds: trainingen, wedstrijden, verlichting, verwarming van de zaal en de douches, allemaal in de uren dat de zon al onder is. Dat betekent dat de opwekking op het dak en het verbruik in het gebouw voor een groot deel niet gelijk lopen, met of zonder sneeuw. Een dag met sneeuw op het dak scheelt dus vooral in de opwekking overdag, terwijl de avondpiek in het verbruik daar los van staat en op een andere manier wordt opgevangen, bijvoorbeeld door teruglevering op een eerder moment of door het net. Hoe die twee zich tot elkaar verhouden over een heel jaar, inclusief winterdagen met sneeuw, is precies het soort berekening dat per gebouw verschilt en die wij op tekening maken, niet als vast getal op deze pagina.
Voor een architect of aannemer die een sporthal ontwerpt of vervangt, is de conclusie vooral praktisch: een groot, vlak, doorlopend dak zonder tussensteunpunten gedraagt zich bij sneeuwval anders dan een dak met opbouw, en dat geldt voor een felsdak met of zonder geïntegreerde cellen. De aandacht moet dan ook niet alleen naar het dakvlak zelf, maar naar de goot, de overstekken en de plekken onder het dak waar mensen structureel langslopen. Dat is bouwkundig werk dat per gebouw verschilt in hellingshoek, oriëntatie, goot- en overstekmaten en gebruik van de omgeving rond het gebouw.
Wij denken daar op tekening in mee, samen met de architect of aannemer, en rekenen per dakvlak uit waar dat om vraagt. Een gesprek daarover begint met de tekening van het gebouw, niet met een getal op deze pagina.