Klikzink
Een sporthal heeft meestal één groot, ononderbroken dakvlak. Geen dakkapellen, geen schoorstenen, geen hoeken die het vlak opbreken zoals bij een woonhuis. Dat maakt het aantrekkelijk om te denken dat zo'n dak dus helemaal vol kan liggen met cellen. In de praktijk ligt dat genuanceerder, en juist daarom is de baan zonder cellen een vast onderdeel van het ontwerp, ook op een dak dat er op het eerste gezicht zo geschikt uitziet.
De reden ligt niet in het dakvlak zelf, maar in wat erop en eromheen staat. Sporthallen hebben vaak luchtbehandelingskasten op het dak, rookluiken, lichtstraten of een klimaatinstallatie die met leidingwerk over het dak loopt. Op die plekken zit een doorvoer, en een doorvoer combineer je niet met een cel die daar stroom zou moeten opwekken terwijl hij voor een deel wordt afgedekt. Daar ligt een gewone baan, zonder cellen, precies even breed en met dezelfde fels als de banen ernaast. Van de grond af is het verschil niet te zien: dezelfde matte, donkere kleur, dezelfde lijn in het dakvlak. Vanaf de vloer van de sporthal, veertig meter verderop met een blik omhoog, valt het al helemaal niet op.
Het tweede punt dat u noemt is misschien het meest bepalend bij dit gebouwtype: een grote overspanning zonder tussensteunpunten. Een sporthal heeft een dakconstructie die soms wel dertig of veertig meter overspant, gedragen door een paar hoofdliggers of een boogconstructie. Dat betekent dat het dakvlak op sommige plekken in de schaduw van een naastgelegen bouwdeel valt, of dat een technische opstelling op het dak zelf een schaduw op het vlak werpt die per seizoen verschuift. Waar die schaduw structureel valt, heeft een cel weinig zin. Een baan zonder cellen erin is dan niet een gemiste kans, het is gewoon de juiste keuze voor die strook van het dak. Wat schaduw precies doet met de opbrengst van de banen ernaast staat uitgewerkt op de pagina daarover, hier gaat het om de plek waar helemaal geen cel ligt.
Bij een paneel dat los op een dak wordt gelegd, is deze afweging heel anders. Daar wordt een paneel simpelweg weggelaten op de plek waar schaduw valt of waar een doorvoer zit, en blijft het dakvlak daar leeg, met het onderliggende dakbedekking zichtbaar tussen de rijen panelen. Bij een felsbaan is dat geen optie, want de baan is het dak. Er moet daar dus altijd een baan liggen, met of zonder cel, anders is het dak niet dicht. Het enige verschil tussen een baan met cellen en een baan zonder cellen is wat er in het profiel is verwerkt. De rest, de bevestiging, de fels, de manier waarop hij aansluit op de baan ernaast, is identiek. Dat is meteen ook waarom het geen esthetisch compromis is: er ontstaat geen kaal vlak, geen rand met een andere kleur, geen zichtbaar gat in het patroon.
De tweede reden die u noemt, verbruik dat vooral 's avonds piekt, werkt niet door in de keuze welke baan wel of geen cellen krijgt, maar wel in de vraag hoeveel van het dakvlak de moeite waard is om te voorzien van cellen. Een sporthal gebruikt de meeste stroom aan het begin van de avond, wanneer de lichtinstallatie, de douches en soms een sportvloerverwarming aanslaan, terwijl de zon dan al laag staat of weg is. Dat verbruikspatroon verandert niets aan hoe een felsbaan werkt, maar het is wel de reden waarom een opdrachtgever bij een sporthal soms bewust kiest voor een kleiner deel van het dakvlak met cellen en een groter deel zonder, of voor een combinatie met een accu of teruglevering. Dat rekenwerk, hoeveel vierkante meter met cellen zin heeft gegeven het verbruiksprofiel van deze specifieke hal, hoort niet in cijfers op deze pagina, want dat verschilt per gebouw en per aansluiting. Het is precies het soort vraag dat wij op tekening doorrekenen, met het verbruik en de ligging van het dak als uitgangspunt.
Binnen het dakvlak wisselen banen met en zonder cellen elkaar dus af volgens een indeling die vooraf is vastgelegd, niet volgens toeval. Bij de aanvraag wordt het dakvlak in kaart gebracht: waar zitten doorvoeren, waar valt vaste schaduw, waar loopt een dakrand die toch al minder oplevert omdat hij onder een hoek naar het noorden ligt. Op basis daarvan wordt bepaald welke baan waar komt te liggen, en dat wordt vastgelegd op de tekening waarmee de banen op maat gewalst worden. Er wordt dus niet een dakvlak vol cellen gelegd waarna er achteraf een paar worden afgeplakt of uitgeschakeld; de indeling ligt al vast voordat de eerste baan de fabriek verlaat.
Dat heeft ook gevolgen voor de bekabeling. Een baan zonder cellen heeft geen aansluiting nodig en dus ook geen kabel die naar binnen moet. Bij een groot dakvlak met veel doorvoeren, zoals bij een sporthal met een uitgebreide klimaatinstallatie op het dak, betekent dat een eenvoudiger tracé dan wanneer elke baan zou moeten worden aangesloten. Hoe die bekabeling van de banen die wel cellen hebben naar binnen loopt, staat uitgewerkt op de pagina over hoe de stroom naar binnen komt bij een sporthal, dat is een andere vraag dan waar de banen zonder cellen liggen.
Er is nog een praktisch punt dat bij sporthallen vaker speelt dan bij een gewoon dak: onderhoud aan de installaties op het dak. Een luchtbehandelingskast moet op een gegeven moment vervangen of onderhouden worden, en dat betekent dat er rond die kast gelopen wordt, gereedschap staat en soms tijdelijk iets wordt neergezet. Een baan zonder cellen op die plek is dan praktisch: het is een gewone, robuuste stalen felsbaan die tegen gebruik kan zonder dat er een cel in het spel is die daarbij beschadigd zou kunnen raken. Voor panelen die los op een dak liggen geldt hetzelfde probleem in omgekeerde vorm, daar wordt vaak juist om een paneel heen gewerkt omdat het paneel wel op die plek ligt en niet weggehaald kan worden zonder de bevestiging los te maken.
De conclusie voor wie een sporthal ontwerpt of aanbesteedt, is dat de banen zonder cellen geen restpost zijn, maar een vast onderdeel van hoe het dakvlak wordt ingedeeld. Ze liggen waar een cel geen nut heeft en zorgen ervoor dat de rest van het dak, met cellen, optimaal wordt benut zonder dat het aanzicht van het dak ergens breekt. Welke banen dat precies worden bij een specifiek gebouw, hangt af van de plaats van de doorvoeren, de vorm van de kapconstructie en het verbruikspatroon van de hal, en dat wordt per project op tekening uitgezocht, niet met een vaste verhouding die voor elk dak hetzelfde is.