Klikzink
Een distributiecentrum heeft meestal één ding met zichzelf gemeen: het dak is groot, vaak honderden meters lang, en de meterkast of het transformatorstation zit op één plek. Bij een woonhuis ligt de omvormer een paar meter van de meterkast. Bij een distributiecentrum kan die afstand oplopen tot vijftig of honderd meter, en dat verandert de vraag waar de omvormer moet hangen en hoe de kabel daar komt.
De omvormer zet de gelijkstroom uit de felsbanen om in wisselstroom die het net op kan. Bij zonnepanelen op een bestaand dak hangt de omvormer vaak los ergens tegen een wand, met kabels die over het dak naar de rand lopen. Bij een felsdak met geïntegreerde cellen ligt de bekabeling al in het dakvlak verwerkt, en de omvormer zit doorgaans op zolder, in een technische ruimte of tegen de binnenkant van de gevel, zo dicht mogelijk bij de plek waar de kabel het dak verlaat. Hoe die doorvoer precies werkt, leggen we uit bij hoe de stroom naar binnen komt bij een distributiecentrum. Voor deze pagina is vooral van belang dat de positie van die doorvoer meebepaalt waar de omvormer een logische plek heeft, en dat die plek bij een groot dak niet vanzelfsprekend is.
Bij een oppervlak van enkele duizenden vierkante meters werk je zelden met één omvormer. Het dakvlak wordt verdeeld in secties, elk met een eigen omvormer of eigen string, en die secties liggen dicht bij hun eigen doorvoerpunt. Dat scheelt kabellengte, en kabellengte is bij gelijkstroom geen bijzaak: hoe langer de kabel, hoe meer vermogen onderweg verloren gaat. Op een dak van dertig meter breed is dat te overzien. Op een dak van honderdvijftig meter breed telt dat mee in de keuze hoeveel omvormers je plaatst en waar.
Dat is meteen een van de duidelijkste verschillen met een distributiecentrum dat panelen op het dak krijgt in plaats van een felsdak met geïntegreerde opwekking. Bij paneellevering ontwerp je de string-indeling rond de plaatsing van de panelen, die vaak in blokken op het dak liggen. Bij een felsdak ligt de opwekking over de volle lengte van elke baan verspreid, en de indeling in secties volgt de bouwkundige indeling van het gebouw: bij elke dilatatievoeg, bij elke overgang naar een andere hal, ligt een logische grens voor een nieuwe sectie met eigen omvormer.
Een omvormer wekt warmte af tijdens bedrijf, en die warmte moet weg kunnen. Op een kleine installatie is dat verwaarloosbaar: één kastje in een garage, met voldoende lucht eromheen. Bij een distributiecentrum met meerdere omvormers bij elkaar in een technische ruimte telt die warmte wel op. Een ruimte met acht of tien omvormers naast elkaar heeft ventilatie nodig, of in ieder geval voldoende luchtcirculatie, anders loopt de temperatuur op en gaat het rendement van de omvormers zelf achteruit.
Dat is een reden om de omvormers te verspreiden over het gebouw in plaats van ze allemaal bij elkaar te zetten. Een omvormer per sectie, dicht bij de bijbehorende doorvoer, is dan niet alleen elektrisch gunstiger vanwege de kabellengte, het is ook thermisch gunstiger: minder warmtebronnen bij elkaar, minder afhankelijkheid van één ventilatiesysteem. Bij een distributiecentrum met een grote, vaak ongekoelde technische ruimte is dat een overweging die op een klein dak nooit speelt.
Bij grote dakvlakken loop je vaker tegen een andere grens aan dan de omvormer zelf: de aansluiting op het net. Een distributiecentrum heeft een forse aansluiting nodig voor de eigen bedrijfsvoering, denk aan koeling, laadpalen voor het wagenpark, sorteersystemen. Die aansluiting heeft een vastgestelde capaciteit, en die capaciteit is niet automatisch groot genoeg om ook alle opgewekte stroom terug te leveren op momenten dat het bedrijf zelf weinig verbruikt, bijvoorbeeld in het weekend of 's nachts bij een gedeeltelijk stilliggend proces.
Het dakvlak van een distributiecentrum is vaak groot genoeg om veel meer op te wekken dan de aansluiting aankan. Dan wordt niet het dak de beperkende factor, maar het net. Dat raakt aan de keuze van de omvormers: soms is het zinvoller om te kiezen voor omvormers met een instelbare maximale teruglevering, zodat pieken worden afgetopt in plaats van dat de installatie tegen een netbeperking aanloopt en moet afschakelen. Dat is een ander vraagstuk dan wat er speelt bij de aansluiting op de meterkast zelf, waar wij apart op ingaan bij [wat de aansluiting op de meterkast moet kunnen bij een distributiecentrum](/dakstroom/distributiecentrum/meterkast). Hier gaat het niet om de aansluiting als knooppunt, maar om de vraag of het net de opgewekte stroom op elk moment kan verwerken, en die vraag beantwoord je in overleg met de netbeheerder, niet met de omvormer alleen.
De praktische consequentie is dat het ontwerp van een installatie op een distributiecentrum niet begint bij het dak, maar bij de aansluiting. Eerst wordt duidelijk wat het net op deze locatie kan afnemen, en pas daarna wordt bepaald hoeveel dakvlak daadwerkelijk wordt benut en hoe de omvormers over dat vlak worden verdeeld. Het kan heel goed zijn dat een deel van een groot dak geschikt is voor opwekking, en een ander deel voorlopig leeg blijft omdat de aansluiting de rest niet kan verwerken. Dat is geen tekortkoming van het felsdak, het is een gegeven van het elektriciteitsnet ter plaatse, en dat gegeven verschilt per distributiecentrum en per netbeheerder.
Wij rekenen dat door op tekening: hoeveel omvormers, waar geplaatst, met welke maximale teruglevering, afgestemd op de aansluiting die er al ligt of die wordt aangevraagd. Een exact getal voor vermogen per omvormer of voor het aantal secties op uw dak durven we hier niet te noemen, dat hangt af van de indeling van het gebouw en van wat de netbeheerder toestaat. Wat we wel kunnen zeggen: op een groot dakvlak is de omvormer zelden nog een bijzaak die je achteraf ergens ophangt. Hij is onderdeel van de indeling van het hele gebouw, van de technische ruimte tot de meterkast.