Klikzink
Een loodsdak is groot, en groot betekent bijna altijd dat er dingen op liggen, uitsteken of eronder doorlopen die niets met stroom te maken hebben. Een luchtbehandelingskast op het dak, een rookluik, een klimtrede voor onderhoud, een hemelwaterafvoer die precies daar naar buiten moet. Op die plekken leggen we een baan zonder cellen. Hij ziet er hetzelfde uit als de banen ernaast, dezelfde matte kleur, dezelfde lijn, dezelfde fels, maar er zit geen zonnecel in. Bij een felsdak met geïntegreerde opwekking is dat geen noodoplossing, het is gewoon hoe je een dakvlak indeelt: opwekken waar het kan, gewoon dak waar dat beter past.
Bij panelen die los op een bestaand loodsdak worden gemonteerd, loopt die keuze anders. Daar leg je panelen om de obstakels heen en blijft er een lappendeken van vrije stroken over, soms te smal om nog iets mee te doen. Bij een felsdak wordt de indeling vooraf op tekening gemaakt. Je weet welke banen cellen krijgen en welke niet, en dat wordt in de fabriek al zo geproduceerd. Er is geen los onderdeel dat je weglaat, er is een baan die van meet af aan zonder cellen bedoeld is.
Schaduw is bij een loods vaak een vast gegeven, niet een toevallige boomtak die met de seizoenen verschuift. Een dakopstand, een liftschacht, een naastgelegen bouwdeel: die staan er permanent en werpen elke dag op dezelfde plek een schaduwrand. Op die plek een cel leggen die toch nooit voluit meedoet, is geld uitgeven aan iets dat weinig teruggeeft. Een baan zonder cellen is dan de nuchtere keuze, en wat een schaduwrand precies doet met de opbrengst van de rest van het dakvlak, leggen we uit bij [wat schaduw doet op het dak van een loods](/dakstroom/loods/schaduw).
Bij dit gebouwtype speelt nog iets dat bij een woonhuis of een kantoor minder aan de orde is: het verbruik zit overdag. Een loods heeft meestal geen constante verwarmingsvraag zoals een woning ’s avonds. Het verbruik komt van machines, transportbanden, verlichting boven een productielijn, koeling, laadpalen voor het wagenpark. Dat loopt grotendeels tijdens werkuren, dus overdag, en dat is precies het moment waarop het dak zelf stroom levert. Daardoor is de vraag waar op het dakvlak cellen komen en waar niet minder een kwestie van maximaliseren en meer een kwestie van verstandig verdelen: leg de opwekkende banen op de delen van het dak die vrij zijn van obstakels en schaduw, en gebruik de rest van het dakvlak gewoon als dak.
Het budget stopt soms ook gewoon op een bepaalde lijn. Een opdrachtgever kiest bijvoorbeeld voor cellen op twee derde van het dakvlak en een baan zonder cellen voor het laatste stuk, om de investering behapbaar te houden zonder dat het dakbeeld erop verandert. Omdat de baan zonder cellen dezelfde coating, dezelfde breedte en dezelfde fels heeft, zie je vanaf de grond niet waar de opwekking stopt en het gewone dak begint. Dat is anders dan bij een paneelveld op een bestaand dak, waar je vaak wel ziet waar het veld eindigt: een rand van kabelgoten, een montageframe dat verder niets bedekt, een stuk dakbedekking dat kaal blijft liggen naast de panelen.
Bij een felsdak loopt de bekabeling onder de banen door, dus een baan zonder cellen is ook praktisch een goede plek om leidingen, doorvoeren of een looppad voor onderhoud te laten samenkomen. Je hoeft dan niet over een baan met cellen te lopen of eromheen te werken; de baan zonder cellen dient zowel als dak als als werkzone. Hoe de bekabeling het dakvlak precies verlaat en waar dat aansluitpunt normaal gesproken zit, staat beschreven bij [hoe de stroom naar binnen komt bij een loods](/dakstroom/loods/stroom-naar-binnen).
Soms wordt gevraagd of een baan zonder cellen later nog te wijzigen is, als het verbruik in het gebouw verandert of als er een nieuwe uitbreiding bij komt. Dat hangt af van de opzet van het dakvlak op dat moment en van hoe de rest van het systeem is aangesloten; dat is niet in het algemeen te zeggen en rekenen we per situatie op tekening uit. Wat wel vaststaat: een baan zonder cellen kan altijd, ook achteraf, vervangen worden door een baan met cellen van dezelfde reeks, zonder dat de rest van het dakvlak eraan te zien is.
De keuze om niet elke vierkante meter te laten opwekken is geen concessie aan het idee van een dak dat zelf stroom maakt. Het is precies het punt: bij een geïntegreerd systeem beslis je per baan, niet per paneel dat je er los bovenop zet. Bij een loods, met zijn dakopstanden, doorvoeren en oppervlaktes die groter zijn dan bij vrijwel elk ander gebouwtype, is die vrijheid vaak het verschil tussen een dakvlak dat overal gelijk oogt en een dak dat is opgebouwd uit twee zichtbaar verschillende systemen naast elkaar.