Klikzink
Een loods heeft meestal één ding gemeen met andere loodsen: een groot dakvlak en een meterkast die daar niet altijd dicht bij in de buurt staat. Bij een woonhuis ligt de omvormer vaak op een paar meter van de meterkast, in de meterkast zelf of in een garage ernaast. Bij een loods kan die afstand oplopen tot tientallen meters, en dat is een van de dingen die je vooraf uittekent in plaats van achteraf ontdekt.
De omvormer zet de gelijkstroom die de cellen in het dakvlak opwekken om naar wisselstroom, de vorm die machines, verlichting en apparatuur in de loods nodig hebben. Dat gebeurt niet op het dak zelf. De omvormer hangt aan een muur of op een vaste ondergrond, meestal ergens in de buurt van de hoofdaansluiting of de groepenkast, in een ruimte die droog is en niet in de volle zon staat. Bij een loods is dat vaak een technische ruimte, een hoek van de hal of een aparte kast tegen de gevel. Hij hangt dus niet op het dak, en dat geldt voor het hele dakvlak van solarfels, ongeacht of het om panelen op een dak of om een geïntegreerde felsbaan gaat: de omgang met de omvormer zelf verandert daardoor niet.
Bij een klein schuin dak van een woonhuis is de kabel van dak naar omvormer een kwestie van een paar meter binnendoor of langs de gevel. Bij een loods van vijftig of honderd meter lang, met een meterkast aan één kopgevel en een dakvlak dat over de hele lengte doorloopt, is die route een echte technische keuze. Hoe verder de omvormer van het dakvlak af staat, hoe meer kabel er nodig is en hoe meer er onderweg verloren gaat aan weerstand. Dat is geen dramatisch verlies, maar het is wel een reden om bij een groot gebouw serieus te kijken naar waar je de omvormer plaatst en welke route de bekabeling aflegt, in plaats van hem zonder nadenken in de meest voor de hand liggende hoek te hangen.
In de praktijk betekent dit dat er bij een loods vaker gekozen wordt voor meer dan één omvormer, verdeeld over het dakvlak, of voor een positie die niet bij de hoofdaansluiting ligt maar dichter bij het midden van het dak. Dat is een afweging tussen kabellengte, ruimte in de technische ruimte en de indeling van het gebouw. Bij een nieuwbouwloods leg je die route al vast voordat de vloer gestort is; bij een bestaande loods kijk je waar leidingschachten of kabelgoten al liggen en of daar nog ruimte in zit.
Een omvormer geeft tijdens bedrijf warmte af, net als iedere elektronische installatie die stroom omzet. Dat is geen storing, het is normaal gedrag van het apparaat, en de fabrikant geeft aan hoeveel ruimte er vrij moet blijven rond de kast voor voldoende luchtcirculatie. In een woonhuis valt dat vaak nauwelijks op, in een garage of meterkast is er meestal lucht genoeg. In een loods ligt dat anders, juist omdat een loods vaak groot, open en ongeïsoleerd is, en de omvormer soms in een kleinere afgesloten technische ruimte terechtkomt in plaats van in een grote open hal.
Daarom kijkt de installateur bij een loods niet alleen naar de kortste kabelroute, maar ook naar ventilatie op de plek waar de omvormer komt te hangen. Een kast zonder ramen, direct onder een ongeïsoleerd dakdeel, kan in de zomer flink opwarmen. Een omvormer die te warm wordt, schakelt zichzelf terug of valt uit ter bescherming, en dat is stroom die niet aankomt op de plek waar hij nodig is. Bij een loods met veel volume en enkele grote luchtstromen is dat meestal goed op te lossen, maar het is wel iets waar rekening mee gehouden wordt bij het bepalen van de plek, niet iets wat je er achteraf bij plakt.
Het type gebouw maakt hier wel verschil, en dat is precies waarom de plek van de omvormer bij een loods anders wordt bekeken dan bij een woonhuis. Een loods is doorgaans groot en open, vaak zonder verwarming voor mensen die er de hele dag verblijven, maar wel vol met machines, verlichting, koeling of andere apparatuur die overdag draait. Het verbruik zit dus in de bedrijfsvoering, en die bedrijfsvoering loopt overdag, op precies de uren dat het dakvlak stroom opwekt.
Dat is een prettige overeenkomst, en het is ook de reden waarom veel bedrijven met een loods geïnteresseerd zijn in een dakvlak dat zelf stroom maakt, of dat nou met opgelegde panelen is of met een felsbaan waarin de cellen verwerkt zitten zoals bij solarfels. De opgewekte stroom wordt direct gebruikt in de hal, in plaats van dat hij wordt terug geleverd aan het net en er 's avonds weer stroom wordt ingekocht. Voor de omvormer zelf verandert dat niets aan hoe hij werkt, maar het is wel een van de redenen waarom de capaciteit en de positie van de omvormer specifiek voor dit soort gebouw doordacht worden: hij moet het vermogen aankunnen dat een groot dakvlak, midden op een heldere dag, in korte tijd opwekt en dat de hal op dat moment ook nodig heeft.
Of de stroom nou vandaan komt uit panelen die boven op het dak zijn gezet of uit een felsbaan waarin de cellen in het vlak zelf liggen, de omvormer doet hetzelfde werk en hangt op dezelfde manier ergens binnen, met dezelfde vragen over kabellengte en ventilatie. Het verschil zit op het dak, niet bij de omvormer. Wat bij een loods vooral telt is de schaal: een groot dakvlak levert meer vermogen, dus loopt er meer kabel, is er meer aandacht nodig voor spreiding van de omvormers over het gebouw en voor de warmte die ze samen afgeven in de ruimte waar ze hangen.
Bij Klikzink wordt die keuze voor plek en aantal omvormers meegenomen in het ontwerp op tekening, samen met de rest van het dakvlak. Voor een loods met een lang dakvlak, een meterkast aan één kant en machines die overdag stroom vragen is dat geen bijkomstigheid maar een van de eerste vragen die beantwoord worden voordat er iets besteld wordt. Wat dat in een concreet geval betekent, aan kabellengte, aan aantal omvormers en aan plek in het gebouw, hangt af van de vorm en de indeling van de loods, en dat rekenen we uit op basis van de tekening van het gebouw.