Klikzink
Een felsdak met geïntegreerde zonnecellen levert gelijkstroom, net als een gewoon paneel op een dak. Die gelijkstroom moet omgezet worden naar wisselstroom voordat een bungalow, een receptiegebouw of een sanitairgebouw er iets aan heeft. Dat werk doet de omvormer. Het dakvlak zelf verandert niets aan die stap, maar de manier waarop een vakantiepark is opgebouwd, verandert wel iets aan waar die omvormer het beste komt en hoeveel ervan er nodig zijn.
Een vakantiepark heeft meestal niet één groot dak met één grote installatie erop, maar een verzameling kleinere daken: recreatiewoningen naast elkaar, verspreid over een terrein, elk met hun eigen dakvlak en hun eigen meterkast. Waar een loods of een bedrijfshal met één groot dakvlak vaak toe kan met één centrale omvormer, ligt dat bij een park met dertig of vijftig bungalows anders. Elk dak wekt zijn eigen stroom op, en die stroom moet met zo weinig mogelijk kabelverlies bij de meterkast van dat specifieke huisje komen. In de praktijk betekent dat vaak een omvormer per woning of per klein cluster van woningen, dicht bij het dak dat hij bedient, in plaats van één grote kast die alle daken samen bedient.
De afstand tussen dak en meterkast is daarom een reëel punt om vroeg in het ontwerp te bekijken, niet iets voor achteraf. Bij een recreatiewoning van een verdieping is die afstand meestal kort: het dak, de kap, de meterkast in de hal of in een technische kast, een paar meter kabel. Bij een groter gebouw op het park, een receptie met een verdieping erboven of een groot sanitairgebouw met een uitgestrekt dakvlak, ligt de meterkast soms aan de andere kant van het gebouw dan het dakvlak dat de meeste zon vangt. Hoe langer die afstand, hoe meer kabel er nodig is en hoe meer er verloren gaat aan weerstand in die kabel. Dat is geen dramatisch verlies, maar het is wel een reden om bij een groot dakvlak op een park de omvormer zo dicht mogelijk bij het dak te plaatsen, ook als dat betekent dat hij niet in de hoofdmeterkast hangt maar in een aparte technische ruimte dichter bij de kap.
De plek waar de omvormer hangt, bepaalt ook hoeveel warmte er waar wordt afgegeven. Een omvormer zet niet alle gelijkstroom om in wisselstroom; een deel gaat verloren als warmte. Bij een enkele recreatiewoning is dat een omvormer die in de meterkast, op een technische zolder of in een bijkeuken hangt en daar wat warmte afgeeft, net als een gewone technische installatie. Bij een groter gebouw met meerdere omvormers bij elkaar telt die warmte op, en dan is ventilatie in die ruimte geen overbodige luxe. Op een park met veel losse, kleine daken speelt dat nauwelijks: de warmte van één kleine omvormer in één klein huisje is te vergelijken met die van een cv-ketel of een wasdroger, niet iets waar een aparte koeling voor nodig is.
Wat een vakantiepark verder eigen maakt, is dat het verbruik en de opwek in hetzelfde seizoen pieken. Een kantoorpand gebruikt stroom vooral op werkdagen, het hele jaar door, terwijl de zon in de zomer het meeste levert. Bij een vakantiepark loopt dat gelijker op: in de zomer, als de zon het meeste doet, staan de bungalows vol, draaien er meer koelkasten, airco's en keukens, en is het verbruik juist het hoogst. In de winter, als de opwek laag is, staat een deel van het park leeg en is het verbruik ook laag. Voor de omvormer betekent dat een gelijkmatiger belasting door het jaar heen dan bij een gebouw waar het verbruik het hele jaar hoog blijft terwijl de opwek wegvalt in de winter. Het is geen reden om een ander type omvormer te kiezen, maar het is wel iets waarmee wij rekening houden als we het aantal en de grootte van de omvormers voor een specifiek park doorrekenen.
Bij een dak met geïntegreerde cellen, zoals de felsbanen die wij leveren, verandert er aan de omvormer zelf niets ten opzichte van een gewoon paneel op een dak. Het is dezelfde gelijkstroom, dezelfde omzetting, dezelfde kabel naar de meterkast. Het verschil zit in wat er vóór de omvormer gebeurt: bij een paneel op beugels loopt de kabel over het dakvlak naar een verzamelpunt en dan naar binnen via een dakdoorvoer die apart is van de dakbedekking. Bij een felsbaan met cellen erin ligt de bekabeling in het vlak van het dak zelf en gaat hij mee naar binnen op een punt dat is voorzien in het ontwerp van de baan, zonder dat er een tweede systeem boven op het dak ligt. Voor de omvormer maakt dat weinig verschil; voor de aannemer die het dak en de installatie tegelijk aanlegt, scheelt het een tweede werkgang.
Of één omvormer per woning de beste keuze is, of een paar grotere omvormers voor een cluster woningen, of één centrale omvormer voor een groot gebouw op het park, is niet iets wat in het algemeen te zeggen is. Dat hangt af van de grootte van elk dakvlak, de afstand tot de meterkast, het aantal woningen dat bij elkaar staat en de manier waarop het park is aangesloten op het net. Dat rekenen we uit op tekening, per gebouw en per park, net zoals we dat doen voor de rest van de installatie. Een getal dat overal hetzelfde is, bestaat hier niet, en wie dat toch beweert, rekent niet voor uw specifieke daken maar voor een gemiddelde die op uw park misschien niet bestaat.
Wie meer wil weten over hoe de stroom vanaf het dak naar binnen komt bij een park met veel losse gebouwen, vindt dat op de pagina die daar specifiek over gaat. Hier gaat het om het apparaat dat aan het eind van die weg staat: waar het hangt, hoeveel warmte het afgeeft en waarom dat bij een park met veel kleine daken en een seizoensgebonden verbruik anders uitpakt dan bij één groot gebouw met een installatie die het hele jaar door gelijk belast wordt.