Klikzink
Een boerderij heeft vaak het grootste aaneengesloten dakvlak van het hele erf. Een lange kapschuur of ligboxenstal kan zonder onderbreking dertig, veertig meter dakvlak hebben, met daaronder een spantconstructie die er soms al decennia staat. Bij zo'n dakvlak is de vraag waar de kabel het dak verlaat niet iets voor achteraf. Bij een felsbaan met geïntegreerde zonnecellen is het aantal doorvoeren door het dakvlak zelf al klein, omdat de bekabeling tussen de banen naar de nok toe loopt in plaats van via een stekkerdoos die los op het dakvlak ligt. Wat overblijft is één punt waar die bundel het dak daadwerkelijk verlaat, en dat punt verdient aandacht, juist omdat het bij een boerderij vaak om zo'n groot vlak gaat.
Die ene doorvoer zit bij voorkeur onder de nok. Dat is de plek waar het dakvlak van nature al een overgang heeft, waar regenwater niet blijft staan en waar de kabel een korte weg heeft naar de ruimte onder het dak. Bij een boerderij is dat vaak een deel van de stal of schuur waar toch al een meterkast of technische ruimte zit, of waar die makkelijk te maken is zonder een tweede leidingtracé door de kap te trekken. Onder de nok is de kabel ook goed bereikbaar als er ooit aan gewerkt moet worden, zonder dat daarvoor het dakvlak zelf open moet.
Waar mogelijk kiezen we voor een bestaande doorvoer in plaats van een nieuwe. Een boerderij heeft bijna altijd al een opening in het dak: een ventilatiekap boven de stal, een doorvoer voor een oude afzuiginstallatie, een loodslab waar vroeger een schoorsteen doorheen ging. Die bestaande opening is al gedicht en heeft zijn waarde al bewezen, soms al veertig jaar. Een nieuwe opening in een dakvlak dat daarvoor niet bedoeld was, is altijd een zwakker punt dan een plek die het dak al kende. Bij de aansluiting op de bestaande situatie wordt dat meegenomen op tekening: kan de kabel mee door een opening die er al is, dan heeft dat de voorkeur boven een extra gat, hoe klein ook.
Het gat zelf is klein, en dat is precies waarom het aandacht verdient. Waar bij een paneel op beugels de bekabeling vaak via een aantal kabeldoorvoeren per string het dak verlaat, dus verspreid over het dakvlak, komt bij geïntegreerde cellen de bundel samen naar één punt. Dat is minder gaten in totaal, maar het punt dat er is, voert meer kabel af en moet dus goed zijn uitgevoerd: een doorvoer met een manchet die om de kabel sluit, verwerkt in het dakbeslag zodat regenwater eromheen kan en niet erdoorheen moet. Hoe de kabel vanaf daar verder naar binnen gaat, komt aan de orde bij hoe de stroom naar binnen komt bij een boerderij; hier gaat het om het punt waar hij het dakvlak verlaat en dat punt waterdicht blijft, wat verder wordt toegelicht bij hoe het waterdicht blijft.
Een boerderij heeft daarnaast vaak een aansluiting die niet gebouwd is op veel vermogen. Het net op het erf is soms nog aangelegd voor een paar lichtpunten in de stal en een enkele motor, niet voor een dakvlak dat over zijn volle lengte stroom opwekt. Dat raakt niet de doorvoer zelf, maar het bepaalt wel waar de kabel na de doorvoer naartoe moet: naar de meterkast, naar de omvormer, en van daar naar het net. Als die route langer is dan gedacht, omdat de bestaande meterkast aan de andere kant van de stal zit, telt dat mee in de keuze van de doorvoer en de leidingroute erachter. Dat wordt op tekening bekeken samen met de vraag waar de omvormer komt, want die twee keuzes hangen samen.
Een tweede verschil met panelen op beugels zit in het aantal doorvoeren dat nodig is als het dakvlak in fasen wordt aangelegd, wat bij een boerderij vaker voorkomt dan bij een nieuwbouwloods. Bij een groot bedrijf worden de kapschuur en de ligboxenstal soms in aparte fasen voorzien van dakstroom, om de investering te spreiden. Bij geïntegreerde cellen betekent dat niet automatisch een nieuwe doorvoer per fase: als de doorvoer onder de nok ruim genoeg is aangelegd, kan een tweede fase op dezelfde doorvoer worden aangesloten. Dat is iets om vooraf te bespreken, niet iets om achteraf te ontdekken als de tweede fase al in aanbouw is.
De oude constructie onder het dak speelt ook mee bij de keuze van de plek. Een gordingenkap uit de jaren zeventig heeft niet overal een gording op de plek waar je hem zou willen, en de doorvoer moet ergens landen waar de kabel verder kan zonder dat hij over een gording heen moet worden gelegd of daaronder moet worden weggewerkt in een ruimte die daar niet voor is gemaakt. Bij een boerderij inspecteren we daarom niet alleen het dakvlak van boven, maar ook de kapconstructie van onder, voordat de doorvoer wordt vastgelegd. Dat is een van de dingen die meegenomen worden in het meedenken op tekening, wat bij Klikzink niets kost.
De fels zelf blijft bij dit alles ongewijzigd: hetzelfde Sendzimir verzinkte staal met de matte organische coating, dezelfde werkende breedte van 475 millimeter, dezelfde haakse fels van 35 millimeter, blind bevestigd onder de fels zonder dat er een schroef doorheen gaat. De doorvoer voor de kabel staat daar los van; die zit in het beslag bij de nok of in een bestaande opening, niet in het vlak van de banen zelf. Dat is meteen het verschil met een paneel op beugels: bij beugels ligt de bekabeling los over of onder het dakvlak en verlaat hij het dak op de plek die het handigst is voor de string, vaak dicht bij het paneel. Bij een geïntegreerde felsbaan is de route van de kabel binnen het dakvlak vaste al onderdeel van het ontwerp, en de enige plek waar nog een keuze gemaakt moet worden is waar hij het dak verlaat.
Bij een bestaand boerderijdak dat aan vervanging toe is, ligt die keuze meestal voor de hand: de nok, of de opening die er al is. Bij nieuwbouw is er meer vrijheid, en dan wordt de doorvoer meteen mee ontworpen met de plaats van de meterkast en de technische ruimte, zodat er geen kabeltracé nodig is dat achteraf lastig wegwerkbaar is. In beide gevallen geldt dat het aantal gaten in het dakvlak klein blijft, en dat het ene gat dat overblijft precies daar zit waar het dak dat toestaat.