Klikzink
Bij een felsbaan met geïntegreerde zonnecellen wekt het dakvlak zelf gelijkstroom op. Die gelijkstroom moet ergens worden omgezet naar de wisselstroom die in het gebouw wordt gebruikt en teruggeleverd aan het net. Dat gebeurt in de omvormer, en bij een school is de plek waar dat apparaat hangt minder vanzelfsprekend dan bij een woonhuis met één meterkast onder de trap.
Een school heeft vaak een groot, uitgestrekt dakvlak boven gymzaal, aula en meerdere leslokalen, terwijl de meterkast op één punt in het gebouw zit. Hoe verder de omvormer van de meterkast af hangt, hoe langer de kabels, en hoe langer de kabels, hoe meer stroom er onderweg verloren gaat. Bij een rijtjeswoning is dat een paar meter, bij een schoolgebouw kan dat oplopen tot tientallen meters over gangen en installatieruimtes heen. Dat is een reden om bij een school vaker te kiezen voor meerdere kleinere omvormers dicht bij de dakdelen die ze bedienen, in plaats van één centrale omvormer bij de hoofdmeterkast.
Een omvormer wordt warm als hij draait, dat is inherent aan het omzetten van stroom. Bij een woonhuis hangt hij vaak in de garage of meterkast, waar die warmte niemand stoort. Bij een school ligt dat gevoeliger. Een technische ruimte naast een klaslokaal, een bergruimte die grenst aan de gymzaal, of een kruipruimte boven het verlaagd plafond van de aula: het zijn allemaal plekken waar een omvormer kan hangen, maar niet allemaal even geschikt. De ruimte moet geventileerd zijn, zodat de warmte weg kan, en de omvormer moet bereikbaar blijven voor een blik van de installateur zonder dat daarvoor een klas ontruimd moet worden of een ladder de gymzaal in moet.
Bij een bestaand schoolgebouw kijken we daarom mee met de installateur naar waar in het gebouw al een technische ruimte zit die aan die eisen voldoet, en hoe die zich verhoudt tot de dakvlakken waar de felsbanen met cellen liggen. Bij nieuwbouw is dat eenvoudiger, omdat de positie van de meterkast en de technische ruimte dan nog op tekening staat en mee-ontworpen kan worden met de looplijnen van de bekabeling vanaf het dak.
Wat een school onderscheidt van bijvoorbeeld een kantoor of een woonhuis, is het ritme van het verbruik. Op een schooldag wordt er overdag stroom gebruikt: verlichting, ventilatie, apparatuur in de keuken of het technieklokaal. Dat verbruik valt aardig samen met de uren dat de zon schijnt, wat op zichzelf gunstig is voor het rechtstreeks benutten van wat het dak opwekt.
Het lastige zit in de zomervakantie. Dat is precies de periode waarin de zon het hoogst staat en de opwekking het grootst is, terwijl het gebouw dan vaak grotendeels leeg staat. Er is dan weinig verbruik in het gebouw zelf, en een groter deel van de opgewekte stroom gaat terug het net op in plaats van dat het binnen wordt verbruikt. Dat verandert niets aan hoe de omvormer werkt of waar hij hangt, maar het is wel iets om in het achterhoofd te houden bij het bepalen van de omvang van de installatie en bij het gesprek met de netbeheerder over teruglevering. Wij rekenen dat niet door in cijfers, dat is aan de installateur en de energieadviseur, maar we noemen het omdat het een reëel verschil is met een gebouw dat het hele jaar door bewoond of gebruikt wordt.
Bij een schoolgebouw geldt een simpele regel die bij veel andere gebouwen minder zwaar telt: er lopen kinderen rond, binnen en soms ook op het schoolplein onder het dak. Dat betekent dat onderhoud aan de omvormer of aan de bekabeling nooit een reden mag zijn om zomaar het dak op te gaan tijdens schooltijd. Bij een felsbaan met geïntegreerde cellen ligt de bekabeling grotendeels onder de banen en loopt naar binnen via vaste doorvoerpunten, dus dagelijks onderhoud aan het dakvlak zelf is niet aan de orde. Maar de omvormer zelf, die binnen in het gebouw hangt, heeft af en toe wel een blik van een installateur nodig, en de vraag is dan niet of iemand het dak op moet, maar of die technische ruimte bereikbaar is zonder een klas of gang af te sluiten.
Dat is een reden om bij de plaatsing van de omvormer niet alleen te kijken naar kabellengte en ventilatie, maar ook naar de looproutes in het gebouw. Een technische ruimte die uitkomt op een gang die na schooltijd of in het weekend vrij toegankelijk is, werkt in de praktijk prettiger dan een ruimte waar de installateur dwars door een lokaal met leerlingen moet.
Bij een school met gewone panelen op een bestaand dak zit de omvormer vaak dicht bij de plek waar de panelen liggen, omdat dat een losse installatie is die naast de bestaande dakconstructie wordt toegevoegd. Bij een felsbaan met geïntegreerde cellen is de opwekking onderdeel van het dak zelf, en dat verandert de vraag niet zozeer wat de omvormer doet, als wel hoe het traject van dak naar omvormer wordt ingepast in een gebouw dat al zijn eigen installaties, leidingen en technische ruimtes heeft. Bij een school met meerdere vleugels en dakvlakken op verschillende hoogtes betekent dat vaak dat er met de installateur gekeken wordt naar een indeling met enkele omvormers verspreid over het gebouw, dicht bij de dakdelen die ze bedienen, in plaats van alles terug te leiden naar één punt.
Hoe die indeling er precies uitziet, verschilt per schoolgebouw en per uitvoering van de felsbaan. Wij rekenen dat uit op tekening, samen met de installateur die de omvormer en de aansluiting op het net verzorgt, zodat de plek van de omvormer past bij zowel het dakvlak als bij hoe het gebouw dagelijks gebruikt wordt.