Klikzink
Bij een gewoon paneel op beugels lopen de kabels over het dak, langs de achterkant van de panelen, zichtbaar voor wie omhoog kijkt en blootgesteld aan zon en weer tot ze bij een verzamelpunt naar binnen gaan. Bij solar fels ligt dat anders. De cellen zitten in de felsbaan zelf, en de kabel die uit elke baan komt gaat direct de dakopbouw in, onder het stalen vlak. Wat je op het dak van een school ziet is de baan zelf: mat, donker, vlak. De bekabeling zit erachter, niet erop.
Dat heeft een praktische reden en een minder praktische. De praktische reden is onderhoud en levensduur: een kabel die niet in de zon ligt, veroudert niet door UV en heeft geen extra bevestiging op het dakvlak nodig die op termijn kan losraken of lekken. De minder praktische reden is het aanzien van het gebouw. Bij een school lopen kabelgoten en aansluitdozen op een plat dak met paneelvelden vaak zichtbaar over het dakvlak, en bij een hellend dak met dakpanelen zie je clips en bedrading vanaf de grond als je goed kijkt. Bij een felsdak met geïntegreerde cellen is dat beeld er niet. Het dak blijft ogen als dak.
Dat de kabel wegvalt uit het zicht, betekent niet dat hij wegvalt uit de bouwtekening. Onder de felsbaan moet ruimte zijn om de kabel van elke baan naar een verzamelpunt te leiden, en die ruimte moet er al zijn voordat de banen gelegd worden. Bij nieuwbouw is dat een kwestie van vooraf plannen: de dakconstructie, de isolatie en de doorvoeren naar binnen worden op elkaar afgestemd, en de bekabeling krijgt een vaste plek in die opbouw. Bij een school die een bestaand dak vervangt, is dat net zo goed te doen, maar dan moet de bestaande dakopbouw wel geschikt zijn of geschikt gemaakt worden. Een dakopbouw die daar geen ruimte voor heeft, is precies de reden waarom je bij zo'n gebouw soms beter kiest voor panelen op beugels dan voor een felsdak met geïntegreerde cellen; wij bekijken dat op tekening en zeggen het als het niet past.
Een schoolgebouw heeft een verbruikspatroon dat niet vanzelfsprekend samenvalt met de opbrengst van een dak. Overdag, als de zon op het dak staat, zijn er kinderen in de klas, staat de verlichting aan, draaien de ventilatiesystemen en wordt er gekookt in het praktijklokaal. Dat verbruik overdag is precies het moment waarop een dak met zonnecellen ook stroom levert, wat het voor een school aantrekkelijker maakt dan voor een gebouw dat overdag leeg staat. Maar een school heeft ook een lange zomervakantie: weken waarin het gebouw grotendeels dicht is, het verbruik terugvalt tot een minimum, en de zon juist het hoogst staat en het meest oplevert. Dat is geen reden om er niet aan te beginnen, wel iets om in de overweging mee te nemen als je uitrekent wat een dak met geïntegreerde opwekking een school oplevert. Hoe die stroom vervolgens het gebouw in gaat, staat beschreven bij [hoe de stroom naar binnen komt bij een school](/dakstroom/school/stroom-naar-binnen); hier gaat het om het stuk daarvoor, de kabel die van de baan naar dat punt loopt.
Een tweede eigenschap van een schoolgebouw raakt de bekabeling niet rechtstreeks, maar wel de manier waarop het dak wordt onderhouden en dus ook hoe je de bekabeling erin ontwerpt. Op het dak van een school mag in de regel niemand lopen zolang er onder dat dak kinderen zitten, en dat is een strengere eis dan bij een kantoor of een loods. Dat betekent dat inspectie en eventueel herstel van de bekabeling zoveel mogelijk vanaf de onderzijde of buiten schooltijd moet kunnen gebeuren, en dat de bekabeling dus niet ergens verstopt mag liggen waar je alleen bij kunt door over het dak te lopen. Bij het ontwerp van de dakopbouw houden we daar rekening mee: de aansluitpunten en doorvoeren komen op plekken die bereikbaar zijn zonder dat iemand het dakvlak op moet tijdens de dag dat er les wordt gegeven.
Bij een paneel op beugels ligt de bekabeling in een kabelgoot die over het dakvlak of langs de dakrand loopt, vaak zichtbaar en bereikbaar zonder dat je iets open moet maken. Dat is voor een monteur soms praktisch: een storing zoeken in een kabel die je gewoon kunt volgen, is eenvoudiger dan een kabel zoeken die in de dakopbouw verdwenen is. Bij solar fels is die bekabeling onderdeel van de baan geworden, wat betekent dat je bij een storing eerst moet weten welke baan het betreft voordat je iets opent. Dat is een verschil in werkwijze, niet in kwaliteit: het is dezelfde reden waarom de aanpak bij een defecte baan een andere procedure volgt dan bij een defect paneel, zoals beschreven staat bij [wat er gebeurt als één baan stuk is bij een school](/dakstroom/school/een-baan-stuk). Voor de bekabeling zelf betekent het vooral dat je bij het ontwerp van het dak moet vastleggen welke baan waar ligt en welke kabel waar naartoe gaat, zodat een storing over een jaar of tien nog te herleiden is zonder het hele dakvlak open te leggen.
Er is ook een voordeel dat bij een school zwaarder telt dan bij een willekeurig ander gebouw: minder kans op beschadiging door vandalisme of nieuwsgierigheid. Een school heeft platte daken die soms toegankelijk zijn via een nooduitgang of een klimwand, en kabelgoten die over een dak lopen zijn een uitnodiging om aan te zitten. Bekabeling die onder het dakvlak ligt, is er domweg niet om aan te zitten. Dat is geen argument dat op de site van iedere leverancier hoort te staan, maar bij een schoolgebouw met kinderen op het terrein is het een reëel punt.
Bekabeling onder het dakvlak lost niet op dat een dak met geïntegreerde zonnecellen duurder is per wattpiek dan een gewoon dak met panelen erop. Wat het scheelt, is onderhoud aan de bekabeling zelf en het uiterlijk van het dak, en bij een school waar het gebouw er representatief bij moet staan en waar niemand het dak op mag, zijn dat twee dingen die meetellen in de afweging. Of het voor een specifieke school de goede keuze is, hangt af van de bestaande dakopbouw, van het moment waarop het dak toch al vervangen wordt, en van de vraag of er straks voldoende stroom overdag wordt afgenomen om de opbrengst te benutten. Dat rekenen we uit op tekening, met de bestaande situatie van het gebouw als uitgangspunt.