Klikzink

De bekabeling onder de baan bij een aanbouw

Een aanbouw heeft meestal maar één dakvlak en dat vlak is klein. Een garage tegen het huis, een uitbouw achter de keuken, een serre met een plat of licht hellend dak ertegenaan. Precies die kleinschaligheid maakt de bekabeling hier tot een apart aandachtspunt. Waar op een groot schuurdak nog ruimte is om kabels rustig weg te leggen, moet dat bij een aanbouw vaak in een paar decimeter dakopbouw gebeuren, dicht bij de gevel waar het hoofdhuis begint.

Bij een felsbaan met geïntegreerde cellen ligt de bekabeling niet op het dak maar onder de baan, in de ruimte tussen de stalen deklaag en de onderconstructie. Elke baan met cellen heeft een eigen aansluiting die vanaf de onderzijde de baan verlaat. Die kabel loopt niet over het dakvlak naar een verzamelpunt zoals bij paneelsystemen, waar de bedrading vaak zichtbaar langs de onderkant van de panelen hangt en pas bij de dakrand naar binnen gaat. Hier gaat de kabel meteen de dakopbouw in, op de plek waar de baan ligt, en komt pas weer tevoorschijn binnen de constructie.

Wat dat vraagt van de dakopbouw

Omdat de kabel onder de baan wegloopt, moet er in de dakopbouw ruimte voor zijn: een spouw of een kanaal waarin de bedrading kan liggen zonder bekneld te raken tussen de baan en het isolatiepakket. Bij een aanbouw is die ruimte vaak beperkter dan bij een hoofddak, simpelweg omdat de opbouw dunner is uitgevoerd of omdat er al leidingwerk ligt voor iets anders, een afvoer, een ventilatiekanaal. Op tekening kijken we daarom eerst waar in de bestaande opbouw van de aanbouw plek is, en of de kabelroute vanaf de baan naar het punt waar hij het dak verlaat, vrij kan liggen. Dat is geen rekenwerk dat we op de bouwplaats improviseren; dat leggen we vooraf vast, precies omdat de marges bij een klein dakvlak kleiner zijn.

Een voorbeeld uit de praktijk: een aanbouw van vier meter breed, met een velling van een paar graden, tegen de achtergevel van een bestaand huis. De felsbanen lopen van de nok van de aanbouw naar de rand boven de goot. Elke baan met cellen levert zijn kabel af op de laagste rand, bij de goot, waar de dakopbouw overgaat in de gevelaansluiting. Vanaf daar lopen de kabels gebundeld naar binnen, niet meer over het dak maar door de constructie, richting de plek waar ze samenkomen. Hoe die bundeling en de aansluiting op de omvormer precies verlopen, staat beschreven bij [hoe de stroom naar binnen komt bij een aanbouw](/dakstroom/aanbouw/stroom-naar-binnen); hier gaat het vooral om het stuk daarvoor, de route onder de baan zelf.

De overgang naar het hoofddak

Bij een aanbouw is er bijna altijd een overgang: het punt waar het lage dak van de aanbouw aansluit op de gevel of het dak van het hoofdgebouw. Die overgang is bouwkundig al een aandachtspunt vanwege de waterdichting, en hij is het ook voor de bekabeling. De kabels die onder de banen vandaan komen, moeten op een gegeven moment de dakconstructie verlaten om binnen te komen, en dat gebeurt meestal precies op of net naast die overgang, omdat daar toch al een doorvoer nodig is voor andere leidingen of omdat daar de kruipruimte of spouw bereikbaar is.

Bij panelen op beugels ligt dat anders. Daar hangt de bekabeling meestal los onder de panelen, in het zicht als je onder het dak kijkt of vanaf de zijkant, en de kabels lopen vaak over de volle lengte van het dak naar één punt bij de dakrand. Bij de geïntegreerde baan is die zichtbare bedrading er niet: wat je van buiten en van onderaf ziet is de gesloten onderzijde van de dakopbouw, geen hangende kabelbundel. Dat is bij een aanbouw prettiger dan bij een groot dak, juist omdat een aanbouw vaak van dichtbij te zien is, vanaf de tuin, vanaf de eerste verdieping van het hoofdhuis die er bovenop uitkijkt.

Aansluiten op de bestaande meterkast

Het tweede terugkerende punt bij een aanbouw is de meterkast. Bij nieuwbouw of een grote verbouwing wordt de elektrische installatie meestal in één keer ontworpen, inclusief de plek voor een omvormer en de bekabeling naar de meterkast. Bij een aanbouw op een bestaand huis ligt die meterkast er al, ergens in de kelder, de garage of een bijkeuken, en de vraag is hoe je van het dak van de aanbouw naar die bestaande kast komt zonder een nieuwe sleuf door de hele woning te moeten trekken.

In de praktijk is de afstand meestal kort, want een aanbouw zit per definitie dicht tegen het huis aan. De kabel die onder de laatste baan vandaan komt, hoeft vaak niet meer dan een paar meter te overbruggen om bij een bestaande doorvoer, een spouw of een kabelgoot te komen die al naar de meterkast loopt. Waar de omvormer in die route komt te staan, in de aanbouw zelf of dichter bij de meterkast, bepaalt mede hoe die laatste meters worden aangelegd; dat is nader uitgewerkt bij [waar de omvormer komt bij een aanbouw](/dakstroom/aanbouw/omvormer). Voor de bekabeling onder de baan zelf maakt die keuze weinig verschil: die ligt vast zodra de banen liggen, en de rest van de route wordt daar vervolgens op aangesloten.

Wat er niet gebeurt, is dat er voor elke baan een los kabeltje over het dakvlak naar de rand loopt zoals bij een reeks paneeltjes die elk hun eigen stekker hebben. De banen worden onderling al binnen de dakopbouw gekoppeld voordat de gecombineerde kabel het dak verlaat. Bij een klein dakvlak van een aanbouw, met misschien acht of tien banen naast elkaar, betekent dat dat er uiteindelijk maar één of twee kabels de dakconstructie verlaten in plaats van tien losse aders.

Waar dit om vraagt bij montage

Omdat de kabel niet meer op het dak zichtbaar of bereikbaar is na montage, moet de route vooraf klopt. Bij een aanbouw met een lage dakopbouw is er weinig ruimte om achteraf te corrigeren als een kabel net niet lang genoeg is of een doorvoer op de verkeerde plek zit. Dat is een van de redenen waarom we dit altijd op tekening uitwerken voordat de banen worden gewalst: de lengte van elke baan, de plek van de aansluiting en de route naar de meterkast worden op maat bepaald voor dat ene dakvlak. Bij een aanbouw, waar de tolerantie klein is, telt dat net iets zwaarder dan bij een groot schuurdak waar wat extra kabellengte geen probleem is.

De keerzijde van deze aanpak is dat een storing in de bekabeling minder makkelijk te vinden is dan bij een los paneel dat je van onderaf kunt bekijken. Dat onderwerp, wat er gebeurt als een baan uitvalt en hoe dat wordt opgespoord, staat apart beschreven bij [wat er gebeurt als één baan stuk is bij een aanbouw](/dakstroom/aanbouw/een-baan-stuk). Voor de aanleg zelf geldt: eenmaal goed weggewerkt onder de baan, blijft de bekabeling daar liggen zonder dat er onderhoud aan nodig is, wat op een klein, moeilijk bereikbaar dakvlak als een aanbouw net iets meer waard is dan op een dak waar je makkelijk bij kunt.

Of deze oplossing past bij een specifieke aanbouw, met zijn eigen opbouw, hoogte en afstand tot de meterkast, is iets wat we het liefst op tekening bekijken. Neem contact op met Klikzink, Boylestraat 22 in Ede, en stuur de tekening van de aanbouw mee.

Terug naar het overzicht

KKlikzink
Pagina'sSolarfels: felsplaten met de zonnecellen erinDiensten voor solarfels: van tekening tot dakOver ons: waarom wij de cellen in de baan zettenContact over solarfels op uw dakvlakDetailsHoe het werktSpecificatiesOpbrengstVergelijkenProjectenBlogPrivacyverklaring solarfels.com
Contact
Adres
© Klikzink