Klikzink
Een aanbouw met een stalen dakvlak dat zelf stroom opwekt, staat meestal dicht tegen een bestaand huis aan. Laag, klein, vaak een uitbouw van de keuken of een serre die tegen de achtergevel is gezet. Dat kleine formaat verandert niets aan de vraag die bij elk metalen dak met geïntegreerde opwekking hoort: hoe wordt dit dakvlak geaard, en hoe sluit dat aan op wat er al in het huis zit.
Bij een stalen felsdak is de aarding niet iets dat je erbij monteert. Het hele dakvlak is elektrisch geleidend staal. Elke baan is met de volgende verbonden via de fels en de klemmen, en dat geleidende geheel moet aan een aardpunt hangen, net als een stalen dakgoot of een metalen schoorsteenkap dat al doet. Bij een gewoon paneel op een pannendak ligt dat anders: het paneel zelf is een geïsoleerd frame op beugels boven een dak dat niet geleidt, en de aarding zit in de kabels van de installatie, niet in het dakvlak zelf. Op een aanbouw met stalen banen is het dakvlak onderdeel van het te aarden geheel, of er nu cellen in zitten of niet.
Bij een aanbouw is er meestal al een aardrail in de meterkast van het bestaande huis. Dat is het aansluitpunt waar de aanbouw op aantakt, niet een nieuwe aardpuntje speciaal voor het dakje erbij. In de praktijk loopt er een aardleiding vanaf een verbindingspunt op het stalen dakvlak, via de constructie van de aanbouw, naar diezelfde meterkast. Een aannemer die de aanbouw bouwt, weet doorgaans al waar die rail hangt en hoe lang de leiding moet worden; het is voor hem een kwestie van een extra draad meetrekken tijdens de bouw, niet van een nieuwe voorziening laten aanleggen.
De overgang naar het hoofddak is het punt waar in de praktijk het vaakst een vraag ontstaat. Een aanbouw staat tegen een bestaande gevel, en het dakje van de aanbouw raakt ergens de gevel of het dakvlak van het hoofdgebouw. Als het hoofddak ook van metaal is, of als er een stalen dakgoot, regenpijp of gevelbekleding aanwezig is die al geaard is, dan is het logisch om het nieuwe dakvlak daarop aan te sluiten in plaats van een tweede, onafhankelijke aardleiding te trekken. Twee gescheiden aardpunten op één gebouw die niet met elkaar verbonden zijn, kunnen bij een blikseminslag juist een spanningsverschil opleveren tussen twee delen van het huis die elkaar wel raken. Eén doorlopend, met elkaar verbonden geheel is dan de veiligere keuze, en dat is precies waarom de aansluiting op het hoofddak bij een aanbouw meer aandacht vraagt dan bij een vrijstaand dakvlak.
Bij een dak met opgelegde panelen wordt de aarding los van het dak geregeld: de framedelen van de panelen worden onderling verbonden en met een aardleiding naar de meterkast gebracht, terwijl het dakvlak daaronder gewoon dakvlak blijft, geleidend of niet. Bij een stalen felsdak met cellen erin is het dak zelf al het geleidende vlak. Dat scheelt een aparte reeks aardklemmen op elk paneelframe, maar het betekent ook dat de aardverbinding gecontroleerd moet worden op het niveau van de dakconstructie, niet alleen op het niveau van de installatie. Wie alleen de omvormer en de bekabeling controleert en het stalen vlak zelf niet meeneemt, mist het punt waar het op een aanbouw echt om gaat.
Een voorbeeld uit de praktijk: een aanbouw van vier bij drie meter tegen een jaren zeventig huis, met een bestaand hoofddak van beton pannen. Er is geen stalen dakgoot en geen andere metalen aardvoorziening in de buurt van de aanbouw. In dat geval is er geen bestaand punt op het hoofddak om op aan te sluiten, en loopt de aardleiding van het nieuwe stalen dakvlak rechtstreeks naar de aardrail in de meterkast, als een eigen, volledige aardverbinding. Bij een ander huis, met een stalen dakgoot die om de hoek van de aanbouw loopt, is die goot vaak al het handigste aansluitpunt, mits die goot zelf goed geaard is. Welke situatie van toepassing is, hangt af van wat er al aan het huis hangt, en dat verschilt per pand.
Bij een groot, vrijstaand dak, zoals een schuur of een nieuwbouwwoning, is de aarding een in zichzelf besloten vraagstuk: één dakvlak, één aardpunt, klaar. Bij een aanbouw komt er een tweede laag bij, namelijk de overgang naar wat er al staat. Dat is meestal geen ingewikkelde toevoeging, maar het is wel een stap die er bij een vrijstaand dak niet is: iemand moet nagaan of het hoofdgebouw al een aardvoorziening heeft die geschikt is om op aan te sluiten, en zo niet, dan wordt er een nieuwe leiding getrokken die los van het hoofddak naar de meterkast loopt. Een elektricien of aannemer die de aanbouw aansluit, regelt dit meestal in samenhang met de rest van de installatie, zoals ook beschreven bij de aansluiting van de bekabeling op de meterkast.
Dit hoort in de vergunningsaanvraag of het bouwoverleg genoemd te worden zodra bekend is dat het dakvlak van de aanbouw stroom gaat opwekken, niet achteraf als het dak al ligt. Wij rekenen op tekening mee hoe de aardverbinding van het stalen vlak eruit komt te zien voor een specifiek gebouw, inclusief de vraag of aansluiten op het hoofddak mogelijk en wenselijk is. Dat is iets anders dan de vraag hoe de opgewekte stroom naar binnen komt, wat een apart onderwerp is; zie daarvoor de pagina over hoe de stroom naar binnen komt bij een aanbouw.
In de praktijk kijkt een installateur op een aanbouw naar drie dingen. Eerst: is er een bestaande aardvoorziening op het hoofdgebouw binnen bereik, en is die aantoonbaar in orde. Vervolgens: hoe kort en direct kan de nieuwe aardleiding van het stalen dakvlak naar de meterkast of naar dat bestaande aardpunt lopen, want een lange, omslachtige route door de constructie is minder wenselijk dan een korte. En als laatste: zitten er andere metalen onderdelen op of aan de aanbouw, zoals een stalen kozijn, een regenpijp of een dakraam met metalen omranding, die met het dakvlak mee geaard moeten worden om te voorkomen dat er op het dak zelf spanningsverschillen ontstaan tussen aangrenzende metalen delen.
Dit is geen rekenwerk dat je vooraf op de site kunt lezen, want elk huis en elke aanbouw heeft een andere bestaande situatie. Het is wel iets dat vroeg in het traject op tafel moet, samen met de tekening van het dakvlak zelf. Neem contact op met Klikzink, Boylestraat 22, 6718 XM Ede, en stuur de tekening van de aanbouw en, indien bekend, de bestaande aardvoorzieningen van het hoofdgebouw mee. Wij kijken dan mee hoe de aarding op deze specifieke situatie aansluit, kosteloos en voordat er iets besteld wordt.