Klikzink
Op een kantoorpand met een felsdak met geïntegreerde zonnecellen zie je aan de buitenkant geen kabel. Alle bedrading loopt onder het dakvlak, tussen de felsbaan en de dakopbouw daaronder. Dat is het verschil met een installatie van opgelegde panelen, waar de kabels over het dak lopen, langs de onderconstructie van de panelen, zichtbaar of half wegwerkt onder afdekkappen. Bij een geïntegreerd dak is er geen tweede laag waarin die bekabeling kan liggen. De ruimte ervoor moet in de dakopbouw zelf zitten, en dat is precies waar bij een kantoorpand goed naar gekeken moet worden.
Elke felsbaan met cellen heeft een eigen aansluiting aan de onderzijde. Die aansluiting gaat niet de lucht in, maar de dakopbouw in: door de isolatie, langs de gording of de dakplaat, naar een verzamelpunt. Bij een kantoorpand met een plat aansluitend dakdeel of een flauwe helling boven een verdiepingsvloer betekent dat vaak dat de bekabeling meeloopt met wat er al aan installaties in dat dak ligt. Veel kantoorpanden hebben op het dak al hemelwaterafvoeren, klimaatinstallaties, soms een liftmachinekamer of een rooktrekopening. Al die leidingen en kanalen vragen ruimte in dezelfde dakopbouw waar nu ook de kabels van de zonnecellen doorheen moeten. Dat is geen bezwaar, maar het is wel een reden om de dakopbouw vooraf op tekening te bekijken in plaats van pas tijdens de bouw te ontdekken dat een kabelgoot en een luchtkanaal elkaar in de weg zitten.
In de praktijk werken we hiervoor met een vaste route per baan naar een verzamelgoot, meestal bij de nok of bij een kopgevel, van waaruit de kabels gebundeld naar binnen gaan. Hoe die overgang van dak naar binnenruimte precies verloopt, staat beschreven bij hoe de stroom naar binnen komt op een kantoorpand. Op deze pagina gaat het vooral om het stuk daarvoor: de weg die de kabel aflegt onder de felsbaan, voordat hij het dak verlaat.
Omdat de kabel onder de plaat ligt, staat hij niet in de zon en niet in het zicht. Dat is bij een kantoorpand relevant om twee redenen die niets met elkaar te maken hebben. De eerste is techniek: kabels die in de zon liggen, verouderen sneller. UV-straling tast de mantel aan, en op een zwart dak in de volle zon kan de temperatuur van een kabel flink oplopen. Onder het dakvlak blijft die belasting weg. De tweede reden is uiterlijk. Bij veel kantoorpanden telt hoe het gebouw eruitziet, zeker als er klanten of bezoekers komen die het dak vanaf de straat, vanaf een naburig gebouw of vanaf de eigen bovenverdieping kunnen zien. Een dak vol zichtbare kabelgoten, klemmen en bundels oogt al snel als een technische installatie die toevallig op een dak is gezet. Een dak waar de cellen in het vlak liggen en de bekabeling volledig verdwenen is, oogt als dak. Voor een directie die net een nieuw kantoorpand heeft neergezet, of een bestaand pand heeft laten renoveren met het uiterlijk als aandachtspunt, is dat vaak een reden om voor een geïntegreerde oplossing te kijken in plaats van voor panelen op beugels.
Dat de kabel onder het dakvlak ligt, betekent dat de dakopbouw daar rekening mee moet houden. Er moet fysiek ruimte zijn voor de kabel en voor de doorvoer, en die ruimte moet goed geïsoleerd en luchtdicht blijven. Bij een kantoorpand met een dak vol bestaande installaties is dat vaker een preciezere puzzel dan bij een eenvoudige loods. Een dakopstand voor een luchtbehandelingskast, een schacht voor een liftinstallatie, een dakdoorvoer voor een rookgasafvoer: al die elementen bepalen waar een felsbaan wel of niet ongehinderd door kan lopen en waar de kabel dus wel of niet langs kan.
Dit is een van de punten waarop nieuwbouw en renovatie verschillen. Bij nieuwbouw kan de dakopbouw vanaf de tekentafel al rekening houden met de positie van de installaties en de looprichting van de kabels, zodat alles op elkaar aansluit voordat er een schroef in het dak gaat. Bij een bestaand kantoorpand dat een nieuw dak krijgt, moet je werken met wat er al staat: de bestaande opstanden, de bestaande doorvoeren, de bestaande plek van de meterkast of de technische ruimte. Dat is precies waarom we dit altijd op tekening uitrekenen. Hoeveel ruimte een dakopbouw nodig heeft voor de bekabeling, hangt af van het aantal banen, de afstand tot het verzamelpunt en wat er verder nog in dat dak ligt, en dat verschilt per gebouw.
Bij een paneleninstallatie ligt de bekabeling grotendeels boven het dak, aan de onderzijde van de panelen, tussen de beugels van de montageframes. Die kabels zijn met kabelclips aan het frame bevestigd en liggen op enige afstand van het dakvlak zelf. Onderhoud aan die bekabeling betekent dat een monteur tussen of onder de panelen moet komen, iets wat op een plat kantoordak met opstelvoeten meestal goed te doen is, maar op een hellend dak met paneelrijen een stuk lastiger.
Bij een geïntegreerd dak is die situatie omgedraaid. De bekabeling ligt binnen de dakopbouw, niet erboven, en is dus niet toegankelijk zonder de felsbaan open te maken. Dat vraagt om aansluitingen die in één keer goed worden aangelegd, met voldoende overmaat en met een aansluitpunt dat bereikbaar blijft zonder het hele dak te moeten openen. Het is ook de reden waarom een storing aan één baan een andere aanpak vraagt dan een storing aan één paneel; wat dat in de praktijk betekent, staat uitgewerkt bij wat er gebeurt als één baan stuk is op een kantoorpand. Voor de bekabeling zelf geldt: een keer goed aangelegd, ligt hij beschermd en onbereikbaar voor weer en wind, wat het risico op slijtage klein houdt, maar het vraagt zorgvuldigheid bij de aanleg omdat je er later niet zomaar even bij kunt.
Bij een kantoorpand valt het grootste deel van het verbruik overdag, wanneer er ook wordt opgewekt. Dat verandert niets aan hoe de bekabeling onder de baan ligt, maar het bepaalt wel hoeveel capaciteit er nodig is in de kabels naar het verzamelpunt en waar de omvormer het handigst geplaatst wordt ten opzichte van de meterkast en de technische ruimte. Op een kantoorpand met installaties op het dak ligt de omvormer vaak dichter bij die technische ruimte dan bij het dakvlak zelf, om de kabelweg door de dakopbouw zo kort mogelijk te houden. Hoe die keuze precies gemaakt wordt, hangt af van de plattegrond van het gebouw en staat behandeld op de pagina over waar de omvormer komt bij een kantoorpand.
Voor wie een kantoorpand laat bouwen of het dak laat vervangen, is het belangrijkste om te weten dat bekabeling onder een geïntegreerd dak geen toevoeging achteraf is, maar onderdeel van de dakopbouw zelf. Dat vraagt om afstemming tussen de architect, de dakdekker en de installateur voordat er gebouwd wordt, zeker als het dak al gedeeld wordt met klimaatinstallaties of andere techniek. Wij rekenen dat uit op tekening: hoeveel ruimte de bekabeling nodig heeft, waar de doorvoeren het beste kunnen komen en hoe dat samenvalt met wat er al op en in het dak ligt. Een tekening van het dakvlak en een overzicht van de bestaande dakinstallaties is voor ons voldoende om te laten zien waar de kabels kunnen lopen en wat dat betekent voor de opbouw daaronder.