Klikzink
Een stalkap ligt vaak lang en flauw, met een oppervlak dat je in één oogopslag overziet. Precies dat oppervlak gedraagt zich anders onder sneeuw dan een dak vol losse panelen op beugels. Bij panelen op een frame blijft sneeuw makkelijk hangen tussen de randen, achter de klemmen en op de rand van het paneel zelf. Bij een felsdak met geïntegreerde zonnecellen is er geen rand om iets aan vast te houden. De baan loopt door, de cellen liggen in het vlak, en het oppervlak is over de volle lengte even glad als de rest van de plaat.
Dat gladde vlak is de reden dat sneeuw op een stalfelsdak eerder en voller van het dak glijdt dan van een dak met opbouw. Zodra de bovenlaag een beetje smelt of de zon er even op staat, verliest het pak zijn grip en schuift het in een keer naar de goot, soms in grote platen tegelijk. Op een varkensstal met een dakhelling van pakweg twintig graden zie je dat een pak van tien centimeter er in één middag vanaf kan gaan, terwijl het op een dak met paneelframes in stroken en resten blijft liggen tot het langzaam wegsmelt.
Die snelle afgifte is fijn voor het dakvlak zelf, want er blijft geen belasting achter die het felswerk of de klemmen langdurig belast. Maar de goot en de afvoer eronder krijgen wel in korte tijd veel water en soms een fysieke klap van een neerkomende sneeuwplaat te verwerken. Bij een stal met een lange goot langs de gehele stallengte is het dus zaak dat de goot en de aansluiting op de hemelwaterafvoer ruim genoeg gedimensioneerd zijn voor die piekbelasting, en dat er bij de rand van het dak rekening wordt gehouden met een sneeuwval die geconcentreerd naar beneden komt in plaats van geleidelijk. Dat is geen elektrisch vraagstuk, maar een bouwkundig aandachtspunt dat wij op tekening meenemen als we het dakvlak indelen.
Onder een groot stalvlak staat vaak een ruimte met dieren, mest, vocht en stof, en soms een uitloop of een deur die precies onder de druppelzone van de goot ligt. Bij het ontwerp van de dakrand is het dus verstandig om te kijken waar mensen en dieren onder de afwaterzone door lopen, en de goot of het overstek zo te plaatsen dat een sneeuwval daar niet zomaar naar beneden komt. Dat is bij stallen een ander vraagstuk dan bij een woonhuis, waar de sneeuwval meestal op een border of een oprit terechtkomt zonder dat daar iets onder loopt.
Sneeuw zelf raakt de cellen en de bekabeling niet direct, want alles zit aan de bovenzijde van de plaat en is naar buiten toe afgedicht. Wat wel meespeelt bij een stal is de combinatie van een koud dakoppervlak boven een warme, vochtige en vaak ammoniakrijke stalruimte. Onder het sneeuwdek kan de plaat aan de bovenkant lang koud blijven, terwijn de binnenzijde van het dakpakket met de aanwezige isolatie en eventuele damp uit de stalruimte te maken krijgt. De elektrische onderdelen die bij deze constructie horen, zoals de aansluitpunten van de cellen, moeten dus bestand zijn tegen die vochtige, chemisch belaste lucht van onderaf, niet tegen de sneeuw van bovenaf. Hoe die bekabeling onder de baan wegloopt naar binnen toe, staat beschreven bij [de bekabeling onder de felsbaan](/dakstroom/stal/bekabeling), en dat is een andere route dan de sneeuw die aan de buitenkant zijn eigen weg naar de goot vindt.
Een tweede punt dat bij stallen vaker speelt dan bij een woonhuis is de omvang van het dakvlak. Een varkens- of pluimveestal heeft al snel een paar honderd vierkante meter dakvlak aan één stuk, zonder dakkapellen of schoorstenen die het vlak onderbreken. Dat betekent dat een sneeuwval ook in één keer over een groot oppervlak plaatsvindt, en dat de goot over de volle lengte gelijktijdig belast wordt in plaats van in delen. Bij het uitwerken van een dakvlak kijken we daarom niet alleen naar de indeling van de banen, zoals ook aan de orde komt bij [de aansluiting op de nok](/dakstroom/stal/aarding) waar het gaat om hoe het metalen dakvlak op de rest van de installatie aansluit, maar ook naar hoe de sneeuwbelasting zich over de volle dakbreedte verdeelt.
Bij een paneel op een montageframe boven een bestaand dak ontstaat er onder het paneel een luchtspouw waar sneeuw en ijs zich kunnen ophopen, vooral aan de onderrand waar het paneel het laagst hangt. Die opgehoopte sneeuw smelt van onderaf langzaam weg en kan als ijs blijven zitten tot het weer serieus dooit. Bij een felsdak met geïntegreerde zonnecellen ontbreekt die spouw en die onderrand, waardoor er simpelweg minder plekken zijn waar sneeuw zich kan vastzetten. Voor een stal, waar het dak vaak nauwelijks toegankelijk is voor incidenteel sneeuwruimen en het beheer draait om zo min mogelijk gedoe op hoogte, is dat een praktisch verschil. Er hoeft niemand het dak op om vastgevroren platen los te tikken, want die vormen zich hier niet.
Wat dit voor een concreet dakvlak betekent, hangt af van de dakhelling, de lengte van de goot, de oriëntatie ten opzichte van de overheersende windrichting en de plek waar mensen en dieren onder de druppelzone door bewegen. Dat rekenen we uit op tekening, per dakvlak, samen met de rest van de indeling van de banen en de aansluitpunten. Neem contact op met Klikzink in Ede om een bestaand of nieuw stalontwerp langs te leggen, dan bekijken we samen waar de sneeuwval terechtkomt en hoe de goot daarop wordt afgestemd.