Klikzink
Bij een felsbaan met geïntegreerde zonnecellen zit de bekabeling niet op het dak, maar onder de baan, tussen de stalen plaat en de dakopbouw daaronder. Dat is een ander uitgangspunt dan bij een gewoon paneel dat met beugels op een bestaand dak wordt gezet, waar de kabels vanaf de onderkant van het paneel over of langs de dakbedekking naar een verzamelpunt lopen. Hier ligt de bekabeling vanaf het begin binnen de dakopbouw, verscholen achter de fels en beschermd door de plaat die erboven ligt.
Dat heeft twee gevolgen die direct met elkaar samenhangen. De kabel ligt niet in de zon, en hij ligt niet in het zicht. Kunststof bekabeling die jarenlang in de zon ligt, verweert; bij een felsbaan zit de bekabeling onder een stalen plaat en krijgt hij dus geen uv, geen opwarming door direct zonlicht, en geen blootstelling aan regen of hagel die wel op het dakvlak zelf terechtkomt. De plaat doet daarmee twee dingen tegelijk: hij wekt stroom op en hij beschermt de leiding die die stroom afvoert.
Omdat de kabel onder de baan moet liggen, moet er onder de baan ook ruimte voor zijn. Bij een gewone felsbaan zonder cellen is de ruimte tussen de baan en de ondergrond simpel: een dakplaat op gordingen, of een sandwichpaneel, of een houten beschot met folie. Zodra er bekabeling onder de baan moet lopen, moet die ruimte iets meer bieden dan alleen drager zijn van de plaat. Er moet plek zijn voor de kabel zelf, voor de doorvoer naar de volgende baan of naar de verzamelleiding, en voor eventuele connectoren, zonder dat de kabel bekneld raakt onder de klemmen waarmee de baan aan de ondergrond wordt bevestigd.
Bij een stal is dat een reële vraag, want een stal heeft vaak een dakopbouw die primair is ontworpen op isolatie en ventilatie, niet op het doorvoeren van bekabeling. Een dak boven een ligboxenstal of een pluimveehal bestaat bijvoorbeeld uit gordingen met daarop isolatieplaten en een dampremmende laag, en de ruimte tussen de gordingen is niet overal even hoog. Op de tekening van het dak wordt daarom meegenomen waar de gordingen liggen, hoe de kabel daar doorheen of overheen komt, en of de bevestigingsklemmen van de baan de kabel niet in de weg zitten. Dat is precies het soort detail dat wij op tekening uitwerken voordat er een plaat gewalst wordt.
Wat een stal onderscheidt van een woonhuis of een bedrijfshal is niet alleen de oppervlakte van het dak, maar het klimaat daaronder. In een stal met dieren zit ammoniak in de lucht, vaak in combinatie met vocht uit mest, drinkwater of de ademhaling van de dieren zelf, en met stof van voer, strooisel of veren. Die combinatie is agressief voor metaal en voor kunststof, en ze trekt via kieren en ventilatieopeningen ook de dakopbouw binnen, niet alleen de stalruimte zelf.
Dat betekent dat de elektrische onderdelen die aan de onderkant van de baan zitten, de aansluitpunten en de kabel zelf, bestand moeten zijn tegen een omgeving die vochtiger en agressiever is dan bij een kantoorpand of een woonhuis. Bij een varkensstal met een hoge luchtvochtigheid en een constante lage concentratie ammoniak is dat een andere eis dan bij een loods waar alleen droge goederen worden opgeslagen. De connectoren en de kabelmantel moeten tegen die belasting kunnen, en de doorvoer van de kabel door de dakopbouw moet zo zijn uitgevoerd dat vocht niet via de kabel of de doorvoer naar binnen trekt of blijft staan.
Bij een gewoon paneel op beugels ligt dat anders, want daar hangt de bekabeling aan de onderzijde van het paneel, los van het dakvlak, in de buitenlucht onder het paneel. Die kabel krijgt geen ammoniak uit de stal te verduren, want hij zit niet in de dakopbouw maar erboven, in de buitenlucht. Bij een felsbaan met geïntegreerde cellen ligt de kabel juist wel dicht bij of in de dakopbouw, en daarmee dichter bij de lucht die uit de stal ventileert. Dat is een reëel verschil, en het is een van de redenen waarom de uitvoering per dakvlak en per stalklimaat wordt beoordeeld.
Stallen hebben vaak een groot, ononderbroken dakvlak, zeker bij nieuwbouw. Een grote ligboxenstal of een pluimveehal kan een dakoppervlak hebben dat in één keer wordt belegd met tientallen banen naast elkaar. Elke baan met cellen heeft een eigen aansluiting, en die aansluitingen moeten ergens samenkomen voordat de stroom het dak verlaat. Bij een klein dak op een woonhuis is dat een kort traject; bij een stal met een lang dakvlak kan de kabel van de verst gelegen baan een aanzienlijke afstand moeten overbruggen onder de andere banen door, naar het punt waar de leidingen samenkomen en de dakopbouw verlaten.
Hoe die route precies loopt, waar de kabels samenkomen en hoe de stroom vervolgens naar binnen gaat, is het onderwerp van een andere pagina op deze site; hier gaat het om het stuk bekabeling dat onder de baan zelf ligt, tussen de cel en het punt waar de kabel de dakopbouw verlaat. Bij een groot dakvlak is dat stuk vaak langer dan bij een klein dak, en dat betekent dat er bij het ontwerp meer aandacht nodig is voor de indeling van de banen, de looprichting van de kabels en de plek van eventuele doorvoeren door gordingen of dakisolatie.
Omdat de kabel onder de baan zit, is hij bij normaal gebruik niet te zien en niet te bereiken zonder de baan los te maken. Dat is geen nadeel op zichzelf, want de kabel hoeft ook niet bereikbaar te zijn zolang hij intact blijft; het is wel een gegeven waarmee rekening wordt gehouden bij het ontwerp van de dakopbouw en bij eventuele toekomstige werkzaamheden aan het dak. Bij een stal waar op enig moment een deel van het dak wordt aangepast, bijvoorbeeld omdat er een ventilatiekoker of een lichtstraat bijkomt, is het van belang dat vooraf bekend is waar de bekabeling onder de banen loopt, zodat daar niet zomaar doorheen geboord wordt.
Dit is een ander soort aandachtspunt dan bij een paneel op beugels, waar de bekabeling los van het dak hangt en meestal zichtbaar en bereikbaar blijft zonder dat er iets aan het dakvlak zelf verandert. Bij geïntegreerde cellen is de bekabeling onderdeel van de dakopbouw geworden, en dat vraagt om een tekening waarop precies staat waar de kabels liggen. Die tekening wordt bij ons gemaakt voordat er iets gewalst wordt, en blijft na oplevering bij het gebouw horen, net als een rioleringstekening of een tekening van de leidingen in een vloer.
Deze manier van bekabelen loont vooral bij een dak dat toch nieuw wordt gelegd, zoals bij nieuwbouw van een stal of bij vervanging van een verouderd dak. Dan wordt de dakopbouw namelijk sowieso ontworpen, en kan de ruimte voor de bekabeling meteen worden meegenomen zonder dat er iets moet worden aangepast aan een bestaande situatie. Bij een bestaand dak dat verder in goede staat is, ligt een paneel op beugels vaak meer voor de hand, want dan blijft de bestaande dakopbouw ongewijzigd en komt de bekabeling gewoon aan de buitenkant te liggen, zichtbaar en bereikbaar.
Of een felsbaan met geïntegreerde cellen voor een specifieke stal de aangewezen keuze is, hangt af van de vorm van het dak, de indeling van de gordingen, het klimaat in en boven de stal en het moment waarop het dak sowieso aan vervanging toe is. Dat rekenen we uit op tekening, per dakvlak, zonder daar vooraf een getal op te plakken dat voor het ene gebouw anders uitpakt dan voor het andere.