Klikzink

De omvormer bij een stal met dakstroom

Een stal met een geïntegreerd dak wekt de stroom op in het dakvlak zelf, maar de omvormer die daarvan bruikbare wisselstroom maakt, hangt niet op het dak. Die hoort in een droge, koele, schone ruimte. Bij een stal is dat meteen een puzzel, want droog, koel en schoon zijn drie dingen die een stal van nature niet heeft.

De meeste stallen hebben ergens een technische ruimte of een kantoortje aan de kopgevel, gescheiden van de dierruimte. Daar hangt doorgaans ook de meterkast, de aansluiting van het energiebedrijf en vaak de klimaatregeling. Dat is de logische plek voor de omvormer. Niet omdat het mooi uitkomt, maar omdat het de enige plek in het gebouw is die aan de voorwaarden voldoet: geen ammoniak, geen stof dat in de ventilatiesleuven van de kast slaat, geen vocht dat op termijn de printplaten aantast.

Het gevolg is dat er bij een groot staldak een aanzienlijke afstand kan liggen tussen het punt waar de kabels het dak verlaten en de plek waar de omvormer hangt. Bij een varkensstal van vijftig meter lang met de technische ruimte aan één kopgevel, kan die afstand oplopen tot dertig of veertig meter kabel. Dat is anders dan bij een woonhuis, waar de meterkast meestal een paar meter onder het dak zit.

Waarom de afstand een echte afweging is

Kabellengte is niet alleen een kostenpost aan koper. Langere gelijkstroomkabels van het dak naar de omvormer betekenen meer spanningsverlies, en dat verlies moet ergens gecompenseerd worden, met een iets zwaardere kabeldoorsnede of met de keuze om de omvormer dichter bij het dak te plaatsen dan bij de meterkast. Bij een stal met een technische ruimte aan één kant en een dakvlak dat zich over de volle lengte van het gebouw uitstrekt, is dat een reële knop om aan te draaien: hang de omvormer bij de meterkast en accepteer de lange gelijkstroomtrajecten, of hang hem dichter bij het dak en accepteer een langere wisselstroomkabel naar de meterkast.

Wisselstroom verliest over afstand minder dan gelijkstroom, dus in de praktijk kiezen installateurs vaak voor het tweede: de omvormer zo dicht mogelijk bij het dak, in een aangebouwde ruimte of een afgeschermde nis, en van daaruit een langere wisselstroomkabel naar de meterkast. Bij een pluimveestal met de technische ruimte in het midden van het gebouw scheelt dat aanzienlijk in kabellengte ten opzichte van gelijkstroom die eerst naar één kopgevel moet. Hoe de bekabeling vanaf de dakdoorvoer verder loopt, staat beschreven op de pagina over hoe de stroom naar binnen komt bij een stal, en dat is een aparte stap die los staat van waar de omvormer uiteindelijk hangt.

Warmte, en waarom dat in een stal net iets anders ligt

Elke omvormer geeft warmte af zolang hij aan het werk is. Dat is een bijproduct van het omzetten van gelijkstroom naar wisselstroom, en het is de reden dat een omvormer nooit in een afgesloten, ongeventileerde kast mag hangen. Bij een woonhuis is dat meestal geen probleem: een garage of meterkast heeft van zichzelf al enige luchtcirculatie. Bij een stal ligt dat gevoeliger, omdat de ruimtes waar je de omvormer wel kunt plaatsen vaak juist afgesloten zijn van de stalruimte, met een deur ertussen, precies om ammoniak en stof buiten te houden.

Dat betekent dat de technische ruimte waarin de omvormer hangt, zelf voldoende geventileerd moet zijn om die warmte af te voeren, zonder dat de ventilatie de vervuilde stallucht binnenlaat. Bij een melkveestal met de omvormer in een aangebouwd schakelhok is dat vaak op te lossen met een eigen luchttoevoer die niet in verbinding staat met de staluitstoot, en een uitblaas naar buiten. Bij grotere installaties, met meerdere omvormers naast elkaar voor verschillende delen van een lang dakvlak, telt die warmteafgifte op, en dan wordt ventilatie geen bijzaak maar een ontwerpvraag die je vooraf moet meenemen, niet iets wat je achteraf oplost met een extra ventilatortje.

Het verschil met panelen op een bestaand staldak

Bij een stal waar panelen op het dak zijn gelegd, staat de omvormer los van de vraag hoe het dak zelf is opgebouwd. De panelen liggen erboven, de kabels lopen langs de gordingen naar een doorvoer, en de omvormer hangt ergens in de buurt daarvan. Bij een geïntegreerd dak is de opwekking het dak, en dat verandert de positie van de eerste elektrische knooppunten. De kabels die uit de felsbanen komen, verzamelen zich al op het dak of net onder de dakrand in een verdeeldoos, voordat ze de gelijkstroomreis naar de omvormer beginnen. Dat scheelt in de praktijk vaak een deel van de kabellengte die je bij losse panelen wel zou hebben, omdat er geen aparte bevestigingsrails en kabelgoten nodig zijn die over het dak lopen.

Wat niet verandert, is dat de omvormer zelf op dezelfde manier gekozen en geplaatst wordt: buiten de dierruimte, in een droge en geventileerde ruimte, zo kort mogelijk bij het punt waar de kabels het dak verlaten. Dat maakt de afweging over waar de technische ruimte van een stal zich bevindt, en hoe ver die van het dakvlak af ligt, relevant nog voordat er één plaat gelegd is. Bij nieuwbouw is dat eenvoudig mee te nemen in de plattegrond; bij een bestaande stal die een nieuw dak krijgt, is het vaak een kwestie van kijken wat er al staat en daar de kabelroute op aanpassen.

Meerdere omvormers bij een lang dakvlak

Bij een stal met een dakvlak van honderd meter of meer wordt vaak niet met één centrale omvormer gewerkt, maar met meerdere kleinere, verspreid over de lengte van het gebouw. Dat heeft twee redenen. De eerste is elektrisch: hoe korter de gelijkstroomkabel per omvormer, hoe kleiner het verlies en hoe eenvoudiger de kabeldikte. De tweede is praktisch: bij een storing of onderhoud aan één omvormer valt alleen het deel van het dak uit dat op die omvormer is aangesloten, niet de hele installatie. Bij een rundveestal met twee dakhelften en twee technische ruimtes aan weerskanten van het gebouw is dat een logische indeling, en het scheelt bovendien in de lengte van de kabeltrajecten die je anders had moeten trekken naar één centraal punt.

Wat dit betekent voor de keuze van de technische ruimte

Bij een nieuw te bouwen stal is het de moeite waard om, voordat de tekeningen definitief worden, te kijken waar de technische ruimte komt in verhouding tot het dakvlak. Een technische ruimte midden onder de nok van een lang dak scheelt behoorlijk in kabellengte ten opzichte van een ruimte die aan één kopgevel ligt. Bij bestaande gebouwen is die keuze er meestal al, en dan is het aan de installateur om de omvormer zo te plaatsen dat de afstand tot het dak beperkt blijft, ook als dat betekent dat er een kleine technische nis wordt bijgebouwd dicht bij de gevel waar het dakvlak het grootst is.

Wat er precies aan omvormers en kabellengte nodig is, verschilt per dakvlak, per indeling van het gebouw en per uitvoering van de felsbanen. Dat rekenen we uit op tekening, niet op basis van een vaste vuistregel, omdat een stal met een technische ruimte in het midden een andere uitkomst geeft dan een stal met die ruimte aan één kant. Klikzink denkt daarin mee zonder kosten, op basis van de plattegrond die er al ligt of die nog in ontwikkeling is.

KKlikzink
Pagina'sSolarfels: felsplaten met de zonnecellen erinDiensten voor solarfels: van tekening tot dakOver ons: waarom wij de cellen in de baan zettenContact over solarfels op uw dakvlakDetailsHoe het werktSpecificatiesOpbrengstVergelijkenProjectenBlogPrivacyverklaring solarfels.com
Contact
Adres
© Klikzink