Klikzink
Een stal heeft twee dingen die bij brandveiligheid samenkomen: een groot dakvlak en een binnenklimaat met vocht, ammoniak en stof. Zodra dat dakvlak zelf stroom opwekt, komt er een derde factor bij. Zolang er licht op valt, staat de laag met zonnecellen onder spanning. Dat geldt voor elk systeem dat zonlicht omzet in stroom, ook voor gewone panelen op een rek. Bij een stal is de vraag hoe die spanning zich verhoudt tot een gebouw waar dieren, stro, mest en vaak ook een houten of stalen dakconstructie samenkomen, en wat er gebeurt als de brandweer moet ingrijpen.
De brandweer werkt met een vast uitgangspunt bij elk gebouw met een zonnedak: het deel van de installatie tussen de cellen en de omvormer blijft onder spanning staan tot het donker is of tot het is afgedekt, ook als de meterkast is uitgeschakeld. Dat is geen bijzonderheid van een felsdak met geïntegreerde cellen, dat geldt voor iedere vorm van opwekking op een dak. Wat wel verschilt per systeem is hoe snel en hoe volledig je het vlak spanningsloos kunt maken, en waar de schakelaars zitten die dat doen.
Een installatie met dakstroom wordt opgebouwd uit strings: een aantal banen achter elkaar, met per string of per groep banen een schakelpunt. Bij nieuwbouw of vervanging van een stal wordt dat schakelpunt zo gekozen dat het bij de doorvoer naar binnen ligt, dicht bij de plek waar de bekabeling het dak verlaat. Vanaf daar kan een deel van het dak worden afgeschakeld zonder dat er iemand het dak op moet. Bij een grote stal met meerdere dakvlakken, bijvoorbeeld een dakvlak boven de ligboxen en een apart dakvlak boven de mestopslag, wordt vaak per dakvlak een eigen groep aangehouden. Dat betekent dat een brandweerteam een deel van het dak spanningsvrij kan maken zonder de rest uit te schakelen, wat van belang is als de brand zich beperkt tot één sectie.
Om dat snel te kunnen doen, wordt op string- of paneelniveau vaak een optimizer of module toegepast die het vlak op afstand kan afschakelen naar een laag, veilig spanningsniveau zodra de netspanning wegvalt. Dat gebeurt automatisch bij een stroomstoring en kan ook handmatig worden geactiveerd, bijvoorbeeld door de brandweer of door de meterkast uit te schakelen. Hoe die schakeling is opgebouwd en welke stap daarin per baan werkt, leggen wij uit bij het onderdeel over de optimizer per baan; die functie is dezelfde, of de cellen nu op een rek liggen of in het dakvlak zelf zijn verwerkt. Het verschil bij een geïntegreerd dak is dat er geen los systeem boven het dak hangt dat je apart moet beoordelen: de bekabeling ligt onder de banen, gebundeld en beschermd, wat het voor een brandweerteam eenvoudiger maakt om te zien waar de actieve delen precies liggen.
Boven een ruimte met dieren komt uit de lucht behoorlijk wat naar boven: ammoniakdamp, vochtige lucht, stof van voer en strooisel. Dat stelt eisen aan alles wat aan de onderkant van de felsbaan hangt, dus aan de bekabeling en aan de connectoren die de banen met elkaar verbinden. Die onderdelen moeten bestand zijn tegen een agressieve, vochtige omgeving zonder dat de isolatie op termijn aantast. Bij een stal wordt daarom gekeken naar de klasse van de connectoren en naar hoe de kabel wordt weggeleid van de open ruimte onder het dak, zodat er geen vocht of ammoniakdamp rechtstreeks langs een verbinding kan trekken. Dat is een andere afweging dan bij een droge loods of een kantoorpand, en het is een van de punten die wij per dakvlak bekijken voordat we een tekening maken.
De felsbaan zelf is van verzinkt staal met een organische coating en heeft geen doorboringen voor bevestiging, wat betekent dat er ook geen gaatjes zijn waar vocht of ammoniakdamp van onderaf naar binnen kan trekken via de bevestiging. De klemmen zitten onder de fels, buiten het zicht en buiten het directe klimaat van de staluitstoot. Dat raakt niet direct aan brandveiligheid, maar wel aan de levensduur van de elektrische onderdelen die aan diezelfde onderkant hangen, en een kabel die droog blijft is een kabel die minder snel degradeert en minder snel een risico wordt.
Bij een brand op een boerderij is een van de eerste vragen van de brandweer waar de zonnestroominstallatie zit en of die af te schakelen is. Bij een stal met een groot, aaneengesloten dakvlak is het prettig als in één oogopslag duidelijk is welk deel van het dak actief is, zeker als het gebouw ook een deel dak zonder cellen heeft, wat vaak het geval is boven bijvoorbeeld een luifel of een aanbouw. Wij leveren daarom bij elk project een tekening en een schakelschema mee waarop staat welke banen onder welke groep vallen en waar het afschakelpunt zit, zodat dat op de meterkast of bij de hoofdingang beschikbaar is voor de hulpdiensten. Dat schema is dezelfde soort informatie die ook gebruikt wordt bij het monitoren van de installatie, zoals te lezen is bij zicht per baan op een stal, alleen dan gericht op een noodsituatie in plaats van op dagelijks beheer.
Brandveiligheid van een dak met geïntegreerde zonnecellen hangt dus niet af van het feit dat de cellen in het vlak liggen in plaats van erop. Het hangt af van de kwaliteit van de bekabeling, de indeling in schakelbare groepen, de plaats van het afschakelpunt en de bestendigheid van de onderdelen tegen het specifieke klimaat van een stal. Op die punten valt met een tekening van het gebouw precies te bepalen wat nodig is: hoeveel groepen, waar de doorvoer komt en welke uitvoering van de connectoren past bij de mate van ammoniak en vocht in die specifieke stal. Wattpiek, terugverdientijd en prijs per vierkante meter staan hier bewust niet, want die verschillen per uitvoering en per dakvlak en worden pas concreet als er een tekening op tafel ligt. Wat wij wel vast kunnen leggen, is hoe het schakelschema wordt opgebouwd en waar het afschakelpunt komt, zodat dat onderdeel van het ontwerp is en niet een vraag die pas rijst als het te laat is.