Klikzink
Een stal heeft altijd al een aarding gehad, los van zonnestroom. De stalinstallatie, het voerhek, de ventilatoren, soms de melkstal of de mestschuif: alles wat metaal is en onder spanning kan komen, moet zijn verbonden met de aarde. Zodra het dak zelf ook stroom opwekt, komt daar een tweede vraag bij. Het hele dakvlak is van staal, de banen liggen tegen elkaar aan geklikt, en daar zitten nu actieve elektrische onderdelen in. Dat dakvlak moet mee in dezelfde aarding, en dat is een andere opgave dan bij een paar panelen die met beugels op een pannendak zijn gezet.
Bij panelen op een pannendak is alleen het paneelframe en het montagesysteem geleidend. De rest van het dak, de pannen, de panlatten, de folie, is niet van metaal en doet dus niet mee in de aarding. Je aardt de draagconstructie van de panelen en klaar. Bij een felsdak met geïntegreerde cellen is het dakvlak zelf de draagconstructie. Elke baan is staal, de banen liggen aan elkaar geklikt in de fels, en de cellen liggen in het vlak van diezelfde banen. Dat betekent dat je niet een klein metalen frame aardt, maar een aaneengesloten stalen oppervlak van misschien honderd of tweehonderd vierkante meter, met stroomvoerende cellen erin verwerkt. Dat vraagt een aardingsplan dat het hele dakvlak als één geleidend geheel behandelt, niet als een verzameling losse onderdelen.
De bevestiging van de felsbaan is blind: klemmen onder de fels houden de baan vast, er gaat geen schroef door het dakvlak. Diezelfde klemmen en het onderliggende bevestigingssysteem zijn het aangewezen punt om de elektrische doorverbinding tussen de banen te maken. In de praktijk komt dat neer op verbindingen die de geleiding tussen baan en baan garanderen, en vervolgens een aftakking naar de hoofdaarding van het gebouw. Bij een pannendak zit dat aardpunt meestal ergens bij de paneelrand, goed bereikbaar op het dakvlak zelf. Bij een felsdak zit het aansluitpunt aan de onderzijde, bij de gordingen of het spantwerk, en dat is precies waar het bij een stal lastiger wordt dan bij een woonhuis of een loods met een droge, schone kap.
Een stal is geen droge showroom. Onder het dak hangt vaak een combinatie van vocht uit dieren en mest, ammoniak uit de mestopslag of het strooisel, en fijn stof uit voer en strooisel dat overal neerslaat, ook op klemmen en verbindingen. Ammoniak is agressief voor metaal en voor de contactvlakken van elektrische verbindingen. Een aardverbinding die in een droge omgeving jarenlang zonder onderhoud goed blijft, kan in een pluimveestal of een varkensstal sneller aangetast raken als de uitvoering niet daarop is afgestemd. Dat betekent dat de aardklemmen, de verbindingskabels en de aansluitpunten in een stal in een uitvoering moeten zitten die tegen ammoniak en vocht bestand is, en dat de plek waar ze zitten liefst uit de directe stalruimte blijft, bijvoorbeeld in de spouw van de gordingkap of achter een afgeschermd plafond, in plaats van vrij hangend boven de dieren.
Het stofaspect speelt op een andere manier. Fijn stof in combinatie met vocht kan een geleidend laagje vormen op plekken waar dat niet gewenst is, wat bij een verkeerd ontworpen aarding tot lekstroom kan leiden. Bij een groot, aaneengesloten stalen dakvlak met daarin actieve cellen is het dus niet genoeg om ergens één aardpunt te prikken en te veronderstellen dat de rest van het dak vanzelf meedoet. De doorverbinding tussen de banen moet betrouwbaar zijn over de volle lengte van het dak, ook op de plekken waar stof en vocht het langst blijven liggen, zoals bij de gootlijn of bij doorvoeren voor ventilatie.
De rol van de omvormer en de kabels hoort niet in dit verhaal, dat staat elders beschreven. Waar het hier om gaat is de fysieke, metalen verbinding van het dakvlak met de aarde van het gebouw, en het feit dat die verbinding in een stal onder een zwaardere belasting van vocht en ammoniak moet blijven werken dan in een kantoor of een woning.
In de praktijk werken we dit per project uit met de installateur die de elektrische kant van de stal onder zijn hoede heeft. Klikzink levert de felsbanen met de cellen erin en denkt mee over waar en hoe de doorverbinding tussen de banen het beste past bij de rest van de bouwkundige aarding van de stal, maar de aardingsinstallatie zelf is en blijft het werk van de elektrotechnisch installateur. Wat wij aanleveren is een dakvlak waarvan bekend is hoe het geleidt en waar de aansluitpunten liggen, zodat de installateur daar een aardingsplan op kan baseren dat past bij deze stal, met zijn eigen afmetingen, zijn eigen ventilatiesysteem en zijn eigen mestopslag.
Een voorbeeld uit de praktijk: bij een ligboxenstal met een dakvlak van ruim honderd meter lengte loopt de felsrichting van goot naar nok, en zitten de klemmen op regelmatige afstand onder de banen. De installateur kiest daar voor een doorverbinding per baan op de gording, met een enkele hoofdaftakking naar de aardpen buiten het gebouw, uitgevoerd in materiaal dat bestand is tegen de ammoniakconcentratie die in die stal gangbaar is. Bij een varkensstal met een lagere, compactere kapconstructie en een hogere vochtbelasting kan diezelfde opgave vragen om extra aandacht voor de afdichting van de verbindingen, simpelweg omdat de lucht daar vochtiger blijft hangen.
Omdat de cellen in het dakvlak zelf zitten en niet op een los systeem boven het dak, is de aarding geen aparte laag die je er na de bouw nog even bij regelt. Ze hoort bij het ontwerp van het dak. Wie een stal laat bouwen of het dak laat vervangen en overweegt om de opwekking in het dakvlak te laten zitten, doet er goed aan de aarding vroeg te bespreken met de installateur, juist omdat een stal andere eisen stelt dan de meeste gebouwen waarin dit soort daken tot nu toe is toegepast. Wij rekenen en tekenen mee op basis van de dakvorm en de indeling van de stal, kosteloos en zonder dat daar een verplichting aan vastzit, zodat dat gesprek met concrete tekeningen gevoerd kan worden in plaats van met aannames.