Klikzink
Een omvormer zet de gelijkstroom uit de zonnecellen om in wisselstroom die het net op kan of die de boerderij zelf gebruikt. Hij moet droog hangen, koel genoeg blijven en zo dicht mogelijk bij de plek waar de kabel het gebouw in gaat. Bij een woonhuis is dat een kwestie van een paar meter kabel wegleggen in een meterkast die er al staat. Bij een boerderij ligt dat anders, en dat komt vooral door de schaal van het dak en de leeftijd van wat eronder hangt.
Een boerderijdak is vaak één groot aaneengesloten vlak, soms honderden vierkante meters, boven een schuur, stal of werktuigenberging. De meterkast staat meestal niet in het midden van dat vlak. Hij hangt in een aangebouwd woonhuis, in een kantoortje aan de zijkant, of in een technische ruimte die ooit voor een melkinstallatie is gebouwd en nu overal en nergens bij in de buurt staat. Dat betekent dat de kabel van het dakvlak naar de omvormer, en van de omvormer naar de meterkast, een echte afstand kan zijn. Hoe je die aansluiting het dak op krijgt, leggen we uit bij de kabeldoorvoer bij een boerderij, maar de vraag waar de omvormer zelf hangt is daar een stap voorbij: dat is de plek waar de gelijkstroom van het dak wisselstroom wordt, en die plek kies je het liefst dicht bij het dakvlak zelf, om kabelverlies en extra bekabeling te beperken.
De tweede reden dat dit bij een boerderij een echte vraag is, is de bestaande installatie. Veel boerderijen hebben een aansluiting die decennia geleden is aangelegd voor een paar lampen, een voerinstallatie en een stroomgroep voor de melkstal. Die aansluiting is niet gebouwd op het vermogen dat een groot dakvlak met zonnecellen kan opwekken. Voor je de omvormer een plek geeft, moet er dus gekeken worden of de bestaande meterkast en de bestaande hoofdaansluiting dat vermogen kunnen verwerken, of dat er een verzwaring of een aparte aansluiting nodig is. Dat is geen vraag die de felsbaan beantwoordt; dat is een vraag voor de installateur en de netbeheerder, en die hoort in een vroeg stadium op tafel te liggen, niet nadat het dak al ligt.
Een omvormer werkt het beste in een droge, geventileerde ruimte met een gematigde temperatuur. Op een boerderij is dat niet overal vanzelfsprekend. Een schuur met dieren erin heeft vaak een hogere luchtvochtigheid en meer stof in de lucht dan een gewone bijkeuken. Een werktuigenloods kan in de zomer flink opwarmen onder een groot dakvlak, vooral als er weinig ventilatie is. Voor de omvormer is dat relevant: te veel stof of vocht is niet goed voor de elektronica, en bij te hoge temperaturen gaat een omvormer vermogen terugregelen om zichzelf te beschermen. Een technische ruimte, een aangebouwde berging of een afgescheiden hoek van de schuur, mits droog en met wat luchtcirculatie, is meestal een betere plek dan een ruimte waar dieren of machines direct onder hangen.
Bij een boerderij met meerdere dakvlakken, bijvoorbeeld een oudere stal en een nieuwere loods naast elkaar, is het ook de vraag of je met één omvormer werkt of met meerdere. Eén grote omvormer voor het hele dak is eenvoudiger in onderhoud, maar betekent wel dat alle kabels van de verschillende dakvlakken naar één punt moeten lopen. Meerdere kleinere omvormers, dichter bij elk dakvlak, houden de kabeltrajecten korter maar geven meer apparatuur om te onderhouden en meer plekken die droog en koel moeten zijn. Welke keuze verstandig is, hangt af van hoe de dakvlakken op het gebouw liggen en hoe ver ze uit elkaar staan. Dat is precies het soort vraag die we op tekening bekijken, niet iets waar één vast antwoord voor bestaat.
Boerderijgebouwen zijn vaak niet in één keer gebouwd. Er is een oorspronkelijke schuur, later een aanbouw, misschien een tussenliggende overkapping die ooit is dichtgezet. Onder die oudere constructies loopt bekabeling die niet altijd overzichtelijk is, en er zijn niet altijd bouwtekeningen die exact kloppen met wat er nu staat. Voor de plek van de omvormer betekent dit dat een aannemer of installateur ter plekke moet bekijken waar een kabel praktisch weg te leggen is, in plaats van dat op papier uit te rekenen. Een leidingtracé dat op tekening kort en simpel lijkt, kan in de praktijk om een balk, een oude stalinrichting of een brandscheiding heen moeten.
Dat is ook een moment waarop het samen bekijken van het dakvlak, de bestaande installatie en de gewenste plek voor de omvormer, zoals wij dat doen bij [de aansluiting op de nok](/dakstroom/boerderij/stroom-naar-binnen), zijn waarde bewijst. De plek waar de kabel het dak verlaat, bepaalt voor een groot deel hoe kort of hoe lang de weg naar de omvormer wordt, en die twee keuzes horen in hetzelfde gesprek gemaakt te worden, niet los van elkaar.
Het is verder de moeite waard om vooraf te bedenken of het dakvlak in de toekomst nog wordt uitgebreid, bijvoorbeeld omdat een tweede stal of loods nog volgt. Wie daar rekening mee houdt, zoals wordt besproken bij [later uitbreiden met zonnecellen op je boerderijdak](/dakstroom/boerderij/uitbreiden), kan er bij de eerste aanleg al voor kiezen om de omvormer op een plek te hangen waar een tweede of grotere omvormer later makkelijk bij kan, met een bekabelingstracé dat ruimte laat voor een volgend dakvlak.
Wij kunnen op basis van een tekening van het gebouw meedenken over waar de omvormer het beste past: dicht bij het dakvlak, droog, met een redelijke temperatuur, en met een kabelroute die past bij hoe het gebouw in elkaar zit. Wat dat concreet oplevert aan kabellengte, aantal omvormers of aanpassingen aan de bestaande aansluiting, verschilt per boerderij en per dakvlak. Dat rekenen we uit op tekening, samen met de installateur die de aansluiting op het net verzorgt. Een boerderij met één grote stal vraagt daarbij om een ander antwoord dan een erf met drie losstaande gebouwen, en dat verschil is precies waarom we liever naar de situatie kijken dan naar een algemene regel.