Klikzink
Een felsbaan leg je in één keer. De banen liggen op lijn, de klemmen zitten onder de fels, en het dakvlak wordt dichtgemaakt van goot tot nok in één werkgang. Dat is precies waarom de vraag naar uitbreiden anders ligt dan bij paneeltjes die je achteraf ergens bijzet. Bij een opgelegd paneel schuif je een rij bij als er ruimte is. Bij een felsbaan die zelf de opwekking is, is de vraag: welke banen liggen er, en welke daarvan hebben cellen.
Het antwoord voor een distributiecentrum is bijna altijd gunstig, om een simpele reden. Deze gebouwen hebben doorgaans een van de grootste aaneengesloten dakvlakken die er te vinden zijn. Een hal van enkele tientallen meters breed en een paar honderd meter lang heeft dakoppervlak in overvloed, verdeeld over meerdere kappen of sheddaken naast elkaar. Dat geeft ruimte om in fases te denken zonder dat je meteen tegen de grens van het dak aanloopt.
Er zijn in de praktijk twee manieren om een dak voor te bereiden op groei, en welke van de twee logisch is hangt af van hoe het gebouw is opgezet.
De eerste is werken met dakvlakken. Een distributiecentrum heeft vaak meerdere kappen naast elkaar, of één groot vlak dat in stroken is te verdelen. Je legt in fase één de banen met cellen op het deel dat nu al aangesloten wordt, en je legt op de rest gewone felsbanen zonder cellen, in dezelfde kleur en op dezelfde lijn. Het dak is in één keer klaar en ziet er in één keer af, en er is geen zichtbaar verschil tussen het deel dat al stroom maakt en het deel dat dat nog niet doet. Wil je later uitbreiden, dan vervang je die stroken zonder cellen door stroken met cellen. Dat is geen noodgreep: de banen liggen er al op maat, met dezelfde fels en dezelfde bevestiging, en worden vervangen zoals een baan ook vervangen wordt als hij beschadigd is, wat wij toelichten op de pagina over wat er gebeurt als een baan stuk is.
De tweede manier is wachten met het tweede vlak. Bij een hal met sheddaken of met een duidelijke knik tussen twee kapdelen ligt het voor de hand om nu één helft volledig uit te rusten en de andere helft pas te doen als daar aanleiding voor is, bijvoorbeeld bij een volgende dakrenovatie van dat deel of bij een tweede bouwfase van het gebouw zelf. Dat vlak ligt in de tussentijd gewoon als dak, zonder cellen, en wordt op een later moment als eigen project aangepakt.
Welke van de twee past, bepalen we niet vanaf een tekentafel op afstand maar op de tekening van dit gebouw. Bij een rechte hal met één doorlopend zadeldak ligt de eerste manier voor de hand. Bij een complex met meerdere kapvormen, een koud en een warm deel, of een geplande aanbouw, kijken we per vlak wat logisch is.
Wat bij distributiecentra vaak de bottleneck vormt, is niet het dakoppervlak maar de aansluiting op het net. Een hal met genoeg dakvlak voor een aanzienlijk vermogen loopt in de praktijk regelmatig tegen de capaciteit van de netaansluiting aan, of tegen wachttijd voor een zwaardere aansluiting bij de netbeheerder. Dat betekent dat uitbreiden op het dak zelf vaak geen probleem is, maar dat de vraag of het opgewekte vermogen ook weggezet kan worden een ander vraagstuk is dan waar dit dak antwoord op geeft.
Dat raakt aan waar de omvormer komt en hoeveel capaciteit die aankan, zoals we uitleggen bij [waar de omvormer komt](/dakstroom/distributiecentrum/omvormer). Bij een gefaseerde uitbreiding is het verstandig om bij de eerste fase al rekening te houden met de bekabeling en de plek voor een tweede omvormer of een grotere, ook als die pas later wordt geplaatst. Dat voorkomt dat je bij fase twee het dak opnieuw open moet trekken op plekken waar dat niet nodig was geweest.
Een voorbeeld uit de praktijk: een distributiecentrum met twee identieke hallen naast elkaar, gebouwd in één fase maar met de bedoeling om de tweede hal later te verhuren en pas dan de opwekking daarop aan te leggen. In zo'n geval leggen we op hal één de volledige uitvoering met cellen, en op hal twee felsbanen zonder cellen die er precies zo uitzien maar niets opwekken. Op het moment dat hal twee een huurder krijgt die stroom wil, vervangen we die banen. Het dak van hal twee heeft in de tussentijd niets extra's nodig gehad, geen voorbereiding die zichtbaar of kwetsbaar is, gewoon een dicht en waterdicht vlak zoals ook toegelicht bij [hoe het dak waterdicht blijft](/dakstroom/distributiecentrum/waterdicht).
Wat niet kan, is een paar cellen tussen bestaande blinde banen schuiven zonder het dak open te maken. De fels is een doorlopend systeem; een baan vervangen kan, een paneeltje ertussen klikken niet. Dat is een ander soort uitbreiden dan bij paneeltjes die je op afstandhouders bijplaatst, en het is precies waarom de fase-indeling vooraf moet gebeuren en niet achteraf improviserend.
Wat wel kan, is de grens tussen wat er nu ligt en wat er later bijkomt volledig onzichtbaar maken. Omdat de banen zonder cellen dezelfde kleur, dezelfde breedte en dezelfde fels hebben als de banen met cellen, valt van de grond of vanaf een aangrenzend gebouw niet te zien welk deel van het dak al opwekt en welk deel daar nog op wacht. Dat is voor een distributiecentrum vaak relevant, omdat deze gebouwen zichtbaar zijn vanaf de weg of vanuit een bedrijventerrein en een half dak met paneeltjes en een half dak zonder wel opvalt, terwijl een half dak met en zonder cellen in dezelfde felsbaan dat niet doet.
Wat we niet doen, is een getal noemen voor hoeveel vermogen een tweede fase toevoegt of wat uitstellen kost aan gemiste opwekking. Dat verschilt per dakvlak, per hellingshoek, per oriëntatie en per wat de aansluiting op dat moment toelaat, en dat rekenen we uit op de tekening van dit gebouw, niet in algemene termen op deze pagina.
Als uitbreiden een reële mogelijkheid is, is het verstandigst om dat nu al te melden, ook als de tweede fase pas over een paar jaar concreet wordt. Dan kunnen we de indeling van de banen, de plek van de bekabeling en de ruimte voor een tweede omvormer zo tekenen dat fase twee een kwestie van banen vervangen is, en geen kwestie van het dak opnieuw ontwerpen. Stuur de tekening van het gebouw, inclusief de bouwfase die nog moet komen, naar Klikzink op de Boylestraat 22 in Ede. Meedenken op die tekening kost niets, en dan weet je voor dit gebouw precies wat nu logisch is en wat later kan volgen.