Klikzink
Een lessenaarsdak heeft geen nok en geen tweede helling. Er is één vlak dat van hoog naar laag doorloopt, in één richting gericht. Dat maakt het een van de eenvoudigste dakvormen om over schaduw te praten, want er is geen tweede vlak dat de zon op een ander moment van de dag pakt. Wat er aan schaduw op dit vlak valt, valt op het hele systeem tegelijk, en dat scheelt een hoop complexiteit ten opzichte van een zadeldak of een schilddak.
De schaduw die hier telt komt meestal van iets dat naast of boven het dakvlak staat: een schoorsteen die er middenin of aan de rand uit steekt, een dakkapel die op het vlak is gezet, een boom die aan de lage of de hoge kant van het dak staat, of een buurpand dat de laagste stroken 's ochtends of 's avonds in de schaduw zet. Omdat het hele vlak in dezelfde richting kijkt, loopt die schaduw over de dag in een voorspelbare baan over het dak. 's Ochtends ligt de schaduw van een schoorsteen aan de ene kant, aan het einde van de middag aan de andere kant, en het stuk dat de hele dag vrij blijft is meestal goed aan te wijzen op tekening.
Bij een felsbaan met geïntegreerde cellen loopt de bekabeling en de indeling van het systeem mee met de richting van de baan, van hoog naar laag. Op een lessenaarsdak is die richting overal hetzelfde, dus een schaduwvlek van een schoorsteen snijdt op elk moment van de dag dezelfde set banen, en niet een wisselende combinatie zoals bij een schilddak met meerdere hellingen. Dat maakt het overzichtelijker om vooraf te bepalen welke banen in de vaste schaduwzone liggen en welke niet.
Stel dat er een schoorsteen aan de linkerkant van het dakvlak staat, halverwege de hoogte. De banen die daar direct onder lopen, van de schoorsteen tot de dakvoet, krijgen op een zonnige dag een paar uur schaduw, ergens tussen halverwege de ochtend en vroeg in de middag, afhankelijk van de stand van de zon en de hoogte van de schoorsteen. De banen ernaast, een meter verderop, hebben daar niets van te lijden. Bij een lessenaarsdak is die grens scherp te trekken, omdat er geen tweede hellingvlak is dat de schaduw op een ander tijdstip een andere kant op stuurt.
Een dakkapel werkt net zo, maar dan met een schaduw die niet alleen naar één kant valt maar ook nog een stukje het dak op klimt, afhankelijk van de hoogte van de kapel. Bij een lage aanbouwkapel is dat een paar banen die een deel van de dag in de schaduw liggen; bij een hoge kapel die tot bijna de nok reikt, kan het een groter deel van het vlak raken. Ook hier geldt: omdat het vlak in één richting doorloopt, is precies te zien welke banen het treft en welke niet, iets wat wij vooraf op tekening uitrekenen.
Het punt van een felsbaan met geïntegreerde cellen is dat elke baan zijn eigen deel van de opwekking levert, blind bevestigd onder de fels, zonder dat er iets boven het dakvlak uitsteekt. Een schaduw op een deel van het dak raakt dus alleen de banen die eronder liggen, niet het hele systeem. Dat is een ander verhaal dan bij een paneel op beugels, waar een enkele cel in de schaduw de opbrengst van een heel paneel kan drukken, zoals we uitleggen bij [schaduw tegenover panelen op beugels](/dakstroom/schaduw/tegenover-panelen-op-beugels). Bij de felsbaan blijft het effect beperkt tot de baan zelf en de directe omgeving ervan.
Op een lessenaarsdak is dat vooral relevant omdat een groot deel van het vlak vaak vrij ligt, en de schaduw zich beperkt tot een strook rond de obstructie. Een schoorsteen die een derde van de breedte van het dak beslaat, raakt in de praktijk minder dan een derde van de opwekking, omdat de schaduw alleen in bepaalde uren op de volle breedte van zijn eigen schaduwstrook valt en daarbuiten niets doet. De rest van het dakvlak, dat de hele dag vrij zon krijgt, werkt door zoals het zou doen zonder die schoorsteen.
De eenvoud van één vlak in één richting is precies waarom een lessenaarsdak zich makkelijker laat doorrekenen dan een dak met meerdere hellingen. Maar er zijn situaties waarin die eenvoud minder oplevert dan hij belooft. Als de vaste schaduw van een boom of een naburig pand niet aan de rand van het dakvlak valt maar er middenin, dan snijdt die schaduw het vlak in twee ongelijke stukken, en heeft de indeling van de banen weinig grip op het probleem: de schaduw loopt dwars over de looprichting van de banen heen in plaats van ermee mee.
Ook de richting waarin het lessenaarsdak zelf staat, doet ertoe. Een lessenaarsdak op het zuiden vangt de zon het grootste deel van de dag, en een obstructie aan de randen heeft dan een beperkt effect, terwijl dat dezelfde obstructie op een dak dat naar het oosten of het westen kijkt, zoals behandeld bij [schaduw op oost en west](/dakstroom/schaduw/oost-west), een groter deel van de beperkte zonuren kan wegnemen. Op een lessenaarsdak dat naar het noorden kijkt speelt schaduw van buitenaf sowieso een kleinere rol, simpelweg omdat de directe zoninstraling daar al beperkt is.
Er is ook een moment waarop de vraag niet meer is wat schaduw doet, maar of dit dakvlak het juiste vlak is om stroom uit te laten komen. Als een lessenaarsdak grotendeels in de schaduw van een hoge buurwoning of een volgroeide boom ligt, en dat verandert niet met de seizoenen, dan is de opbrengst van het hele vlak structureel laag, ongeacht hoe de banen zijn ingedeeld. In dat geval loont het om te kijken of een ander vlak op het gebouw, of een andere dakvorm, meer oplevert, en dat rekenen wij liever van tevoren uit dan er achteraf tegenaan te lopen.
Wat dit voor een concreet project betekent, hangt af van de plek van de obstructie, de hoogte ervan en de richting waarin het dakvlak zelf ligt. Op tekening is dat te bepalen zonder dat er wordt gegokt met een schatting op basis van een foto. Klikzink werkt dat door voor het opgegeven dakvlak, met de eigen walsmachines die de banen op maat maken voor de uitvoering die op die plek het meeste oplevert.