Klikzink
Bij een flauw hellend dak, vaak tussen de vijftien en vijfentwintig graden, ligt het vlak bijna vlak onder de lucht. Een schoorsteen, een boom of een dakkapel werpt daar een schaduw die minder snel over het vlak trekt dan bij een steil dak. Op een steil vlak schuift een schaduw in een paar uur van links naar rechts en is hij in de loop van de middag alweer voorbij. Op een flauw vlak blijft dezelfde schaduw langer op ongeveer dezelfde plek liggen, omdat de zon minder haaks op het vlak staat en de schaduwlijn dus langer en trager over het dak beweegt.
Dat heeft direct gevolgen voor hoe je het dakvlak indeelt. Een baan die twee uur per dag in de schaduw van een schoorsteen ligt, wekt in die uren minder op dan de banen ernaast. Bij een systeem waar de cellen in de felsbaan zelf zitten, ligt die schaduw op precies de banen die er toevallig onder liggen, niet op een paneel dat je had kunnen verschuiven. Je legt het dakvlak dus zo neer dat de vaste schaduwveroorzakers, een schoorsteen, een ventilatiekanaal, een aangrenzend dakkapel, zo veel mogelijk buiten het vlak vallen of aan de rand ervan liggen, waar de invloed op de rest beperkt blijft.
Naast de schaduw speelt er op een flauwe helling nog iets anders, dat weinig met de zon te doen heeft maar wel met dezelfde helling. Bij een steil dakvlak loopt regenwater snel weg en spoelt het meeste stof en blad mee. Bij een flauw vlak blijft water langer staan en trekt vuil minder makkelijk mee naar de goot. Op een gewoon dak is dat vooral een kwestie van iets vaker de dakgoot schoonmaken. Bij een dakvlak dat ook stroom opwekt, is het een ander punt: een laag stof of een nat blad dat een tijdje op een cel blijft liggen, beperkt daar de opbrengst zolang het er ligt, terwijl de rest van het vlak gewoon doorwerkt.
Dat is geen reden om van een flauwe helling af te zien, wel iets om in de indeling mee te nemen. Een felsbaan ligt met dezelfde neiging tot vlak liggen als een gewone stalen felsbaan, en de matte donkere coating houdt vuil niet anders vast dan een paneel dat erop zou liggen. Het verschil met een opgelegd paneel zit vooral in de onderkant: bij beugels blijft er ruimte onder het paneel waar vuil zich kan ophopen en waar je niet makkelijk bij kunt. Bij een felsbaan met de cellen erin ligt het vlak strak door, zonder rand waar bladeren achter blijven liggen, en spoelt het meeste bij de volgende regenbui alsnog mee.
Stel een garage met een flauw hellend dak en een schoorsteen die twee derde van de dag een schaduwstrook over een deel van het vlak legt. Op een steil dak zou die schaduw in korte tijd over het vlak schuiven en telkens een ander stuk raken. Op dit flauwe vlak blijft de schaduw een groot deel van de dag op ongeveer dezelfde banen liggen. Die banen wekken in die uren minder op, de rest van het dakvlak niet. Omdat elke baan zijn eigen stukje opwekking is, blijft dat beperkt tot de plek onder de schoorsteen; het is dezelfde reden waarom we bij een lessenaarsdak vaak juist kijken naar waar een enkele obstructie het meeste effect heeft, zoals wij uitleggen bij [wat schaduw doet op een lessenaarsdak](/dakstroom/schaduw/lessenaarsdak).
Bij een zadeldak met een flauwe helling op beide vlakken speelt vaak een tweede vraag: welk vlak ligt op het zuiden en welk op het noorden, en verandert dat iets aan hoe zwaar een vaste schaduw telt. Op een zuidvlak telt elk uur schaduw zwaarder omdat daar de meeste uren toch al productief zijn; op een noordvlak is het aandeel van de dag dat er veel te winnen is al kleiner, dus weegt een schaduwstrook daar minder door. Dat verschil in gewicht per hemelrichting bespreken we verder bij [wat schaduw doet op het zuiden](/dakstroom/schaduw/op-het-zuiden).
Een flauwe helling is niet in alle gevallen ongunstiger dan een steile. Bij een lage zonnestand in de winter kan een vlak dat maar weinig helt juist minder in eigen schaduw van een lage dakrand of een dakkapel liggen dan een steil vlak, waar de rand van het dak zelf al een deel van het ochtend- of avondlicht wegneemt. Op een heel flauw dak, bijna vlak, kan een enkele hoge schoorsteen bovendien een langere schaduw geven dan op een steiler dak, simpelweg omdat de zon lager boven het vlak staat wanneer die schaduw valt. Er is dus geen vaste regel die zegt dat een flauwe helling altijd meer of altijd minder te lijden heeft van schaduw; dat hangt af van de hoogte van het obstakel, de richting waarin het dakvlak ligt, en de tijd van het jaar waarin de opbrengst er het meeste toe doet.
Wat wel vaststaat, is dat de gevolgen van langer stilstaand water en trager wegspoelend vuil op een flauw vlak niet veranderen door de aanwezigheid van schaduw. Die twee zaken, schaduw van een obstakel en het gedrag van water op een flauw vlak, staan naast elkaar en spelen soms tegelijk een rol, bijvoorbeeld wanneer een schoorsteen zowel schaduw geeft als de plek is waar water het langst blijft staan doordat de baan daar net iets minder afwatert.
Voor een opdrachtgever of aannemer die een flauw hellend dak overweegt met opwekking in het dakvlak zelf, is de vraag dus niet alleen waar de zon staat, maar ook hoe het vlak precies loopt en waar de vaste obstakels liggen. Wij leggen dat naast de tekening van het dak en rekenen door welke banen onder een vaste schaduw vallen en wat dat betekent voor de indeling, zonder daar getallen bij te verzinnen die per dakvlak toch anders uitvallen. Een dakvlak, een tekening en een gesprek over waar de schoorsteen of de dakkapel precies staat, geven een preciezer antwoord dan een algemene regel over flauwe hellingen ooit kan geven.