Klikzink
Een zonnecel die opwarmt levert minder stroom. Dat geldt voor elke vorm van dakintegratie, ook voor solarfels. De vraag is niet of warmte iets doet, maar wat er onder die cel zit om het weg te krijgen, en daarin verschilt een felsbaan behoorlijk van een zonnedakpan.
Een paneel op beugels hangt boven het dak met een luchtspleet erachter. Die lucht stroomt en voert warmte af, wat een van de redenen is waarom opbouwmontage doorgaans koeler blijft dan een geïntegreerde oplossing. Een felsbaan met cellen erin heeft die spleet niet. De baan ligt op de dakopbouw, op de panlatten of op isolatie, net als de banen ernaast zonder cellen. Er is geen laag lucht die de warmte wegneemt voordat die de cel bereikt.
Daar staat iets tegenover. De opbouw onder een felsbaan is doorgaans een geventileerde constructie met een luchtspouw tussen de dakbeschot en de onderconstructie, dezelfde opbouw die er ook zou liggen zonder cellen. Die spouw voert een deel van de warmte af aan de onderzijde, ook al gaat dat langzamer dan de vrije luchtstroom achter een opgebouwd paneel. Het stalen felsprofiel zelf geleidt warmte ook redelijk snel door het vlak, waardoor pieken zich enigszins verdelen over de baan in plaats van op één punt te blijven staan. Het is geen vervanging voor een luchtspleet, maar het is ook niet niets.
Hoe dat zich vertaalt naar opbrengst hangt af van dakhelling, oriëntatie en van de opbouw die onder de felsbaan ligt, en dat rekenen we per project uit op tekening. Wat we hier wel kunnen zeggen is waar het verschil met zonnedakpannen zit, en dat zit niet alleen in de warmte.
Een zonnedakpan is in principe hetzelfde idee als solarfels: de opwekking zit in het dakvlak zelf, niet erop. Maar de uitvoering is anders. Een pannendak met geïntegreerde cellen bestaat uit losse eenheden, elk ter grootte van een paar dakpannen, die naast en boven elkaar liggen en elk apart worden aangesloten. Op een gemiddeld woonhuisdak zijn dat tientallen van die eenheden, elk met een eigen kabel, een eigen connector en een eigen overgang naar de pan ernaast.
Dat aantal aansluitingen is het verschil dat het meest telt, meer dan de warmte. Elke connector is een plek waar een kabel kan loszitten, waar water kan intrekken via een naad, waar een pan net niet vlak aansluit op de volgende. Bij een felsbaan van vijf of tien meter lang zit er één rand aan elke kant, en de rest is doorlopend metaal met een fels die je dichtklikt. Bij een pannendak met dezelfde oppervlakte zijn er honderden randen, want elke pan heeft er vier.
Dat werkt ook door in het beeld van het dak. Zonnedakpannen ogen van een afstand vaak als gewone pannen, met een lichte textuur die het vlak breekt in een raster van kleine eenheden. Een felsbaan met cellen erin loopt door als één rechte lijn, van goot tot nok, zonder onderbreking. Wie langs het dakvlak kijkt ziet de rand van de baan, niet de rand van elke cel. Dat is geen kwestie van mooi of niet mooi, het is een ander soort dakvlak: één doorlopende plaat tegenover een oppervlak van losse stukken.
De warmte-eigenschappen van een zonnedakpan liggen dichter bij die van een gewone pan dan bij een felsbaan. Een pan ligt los op de panlatten met lucht aan de onderzijde van elke pan afzonderlijk, wat een zekere ventilatie geeft die vergelijkbaar is met wat een paneel op beugels heeft, al is de luchtstroom minder vrij omdat de pannen dicht op elkaar liggen. Een felsbaan heeft die losse ventilatie per eenheid niet, maar wint dat gedeeltelijk terug met de warmtegeleiding van het staal en de spouw onder het dakbeschot.
Waar de felsbaan duidelijk voor staat is het aantal kwetsbare plekken. Zoals wij uitleggen bij [wat er gebeurt als één baan van het dak stuk is](/dakstroom/woonhuis/een-baan-stuk), is een defecte baan een geïsoleerd probleem dat je vervangt zonder de rest van het dak open te breken. Bij zonnedakpannen zit het risico juist in de opeenstapeling: honderden connectoren betekent honderden kansen op een kleine lekkage of een loszittende aansluiting, verspreid over het hele dakvlak. Eén lekkende pan is op zichzelf klein, maar het opsporen ervan tussen tientallen soortgelijke pannen is een ander soort klus dan het vinden van één beschadigde baan in een rij van tien.
Er is een situatie waarin de pan een reëel voordeel heeft: op een dak met veel kleine vlakken, dakkapellen, hoekkepers en schoorstenen, waar een doorlopende felsbaan toch al in stukken zou moeten worden gelegd. Dan verdwijnt het argument van de ononderbroken lijn, en blijft er een dak over met veel randen hoe je het ook aanpakt. In dat geval is het verschil in aansluitingen kleiner dan op een groot, ongedeeld dakvlak, en kan de keuze net zo goed op andere gronden vallen: op prijs, op beschikbaarheid, op wat de leidekker al gewend is te leggen.
Op een groot, regelmatig hellend dakvlak zonder veel onderbrekingen is het verschil groter. Daar loopt de felsbaan door zonder de honderden kleine overgangen die een pannendak wel heeft, en daar telt de warmte onder de baan minder zwaar dan het aantal plekken waar iets fout kan gaan. Dat is ook de reden waarom dit vergelijkbaar is met wat wij bij een gewoon paneel op beugels zien: minder onderdelen is minder kans op falen, ook als de losse onderdelen elk voor zich iets beter presteren op warmte.
Wat het voor een dak in de praktijk betekent, hangt af van de vorm van het dak, de opbouw eronder en wat er al op moet, zoals een schoorsteen of een dakraam. Dat rekenen we uit op tekening, kosteloos, met de warmte, de aansluitingen en de opbouw als drie punten die samen de keuze bepalen.