Klikzink
Een carport staat meestal los van het huis, op een paar meter afstand, met een eigen fundering en een dak dat verder niets draagt dan zichzelf. Er is geen zolder, geen bestaande installatiekast in de buurt, geen leiding die al ergens langsloopt. Alles wat de opbrengst van het dak naar het net moet brengen, moet die afstand overbruggen, en dat begint niet bij het dak maar bij de meterkast in het huis.
Bij een dak dat op een bestaand gebouw ligt, zit de meterkast vaak al dicht bij het dakvlak: een zolder, een garage, een paar meter kabelgoot. Bij een vrijstaande carport of overkapping is die afstand groter en ligt hij vaak buiten, onder de grond of langs een gevel. Dat verandert niet wat er in de meterkast moet gebeuren, maar wel hoe de kabel daar komt en welke groep hem opvangt.
Of er nu vijf of vijftien banen met cellen in het dak van de carport liggen, de meterkast krijgt hetzelfde soort onderdeel als bij een dak op het huis zelf: een aansluiting voor de omvormer, een eigen groep met de juiste beveiliging, en meestal een aparte aardlekautomaat. Die groep moet berekend zijn op het vermogen dat de omvormer kan leveren, niet op wat er op een gemiddelde dag uit het dak komt. Een installateur rekent dat door aan de hand van de omvormer die bij het dakvlak past, niet aan de hand van een vuistregel, want dat verschilt per uitvoering en per dakvlak.
De vraag of de bestaande meterkast dit aankan, hangt af van twee dingen: hoeveel ruimte er nog vrij is in de kast zelf, en of de hoofdaansluiting van het huis het vermogen van de nieuwe groep erbij kan verdragen. Een meterkast die al vol hangt met groepen voor een warmtepomp, een elektrische kookplaat en een laadpaal heeft soms geen fysieke ruimte meer voor nog een groep, ook al is er elektrisch nog marge. Dat is een kwestie die je vooraf laat opnemen, niet iets waarvan je bij montage nog verrast wilt worden.
Een carport wordt vaak niet alleen gebouwd om een auto droog te zetten. Het dak levert stroom, en onder dat dak komt regelmatig ook een laadpunt voor de auto die er staat. Die twee dingen samen, opwekking uit het dak en verbruik door het laden, kunnen de bestaande hoofdaansluiting van een woning aan zijn grens brengen. Een woning met een aansluiting van 3x25 A heeft daar vaak meer ruimte voor dan een oudere aansluiting van 1x35 A, en bij een combinatie van opwekking en een laadpaal is een gesprek met de netbeheerder over verzwaring van de aansluiting geen overbodige stap maar vaak een noodzakelijke.
Dat is een ander verhaal dan bij een paneel dat op een bestaand dak wordt gelegd zonder dat er verder iets aan het huis verandert. Bij een carport komt de vraag over de aansluiting vaak samen met de vraag over het laadpunt, en die twee moeten in één keer goed worden doordacht, niet los van elkaar. Een installateur die alleen naar het dak kijkt en niet naar wat er onder het dak staat te laden, mist de helft van de rekensom.
Omdat er onder een carport geen gebouw staat, moet de kabel van de omvormer naar de meterkast een fysieke afstand overbruggen die bij een dak op een bestaand gebouw niet bestaat. Die kabel loopt meestal ondergronds, in een mantelbuis, van de voet van de carport naar de gevel van het huis en vandaar naar binnen. Hoe die kabel het dakvlak verlaat, hangt af van hoe de bekabeling van de felsbanen zelf naar buiten wordt gebracht; dat leggen we uit bij hoe de stroom van het dak van een carport of overkapping naar binnen komt. Bij de meterkast gaat het vooral om wat daarna gebeurt: de kabel moet met voldoende doorsnede zijn aangelegd om het vermogen van de omvormer zonder spanningsverlies te vervoeren, en die doorsnede hangt samen met de afstand. Een carport die twintig meter van het huis af staat, vraagt een dikkere kabel dan een carport die tegen de gevel aan gebouwd is. Dat verschil zit niet in de meterkast zelf, maar bepaalt wel wat er in de meterkast moet worden aangesloten en met welke marge.
Omdat er geen isolatie in het dak van een carport zit en het gebouwtje verder niets herbergt dan de installatie zelf, wordt de omvormer meestal in of nabij de meterkast geplaatst in plaats van bij het dak. Waar die omvormer precies een plek krijgt en waarom dat bij een carport anders wordt afgewogen dan bij een dak op een woonhuis, staat uitgebreider beschreven bij waar de omvormer een plek krijgt als er geen gebouw onder het dak staat. Voor de meterkast betekent dit vooral dat de aansluiting die er binnenkomt, al een keer is omgezet van gelijkstroom naar wisselstroom voordat hij de groep bereikt, en dat de kabel die van buiten komt dus meestal een gewone wisselstroomkabel is, geen kabel die aan de speciale eisen voor gelijkstroom over lange afstand moet voldoen.
Bij een carport met laadpunt lopen er in de praktijk twee bewegingen door dezelfde meterkast: stroom die het dak binnenbrengt en stroom die naar de laadpaal buiten weer naar buiten gaat. Dat kan door dezelfde hoofdaansluiting, maar het vraagt een overzichtelijke indeling van de groepen en soms een slimme meter of een energiemanagementsysteem dat bijhoudt wat er wordt opgewekt en wat er wordt verbruikt, zodat de aansluiting niet onnodig wordt belast op momenten dat het niet nodig is. Een installateur die de meterkast inricht voor een carport met laadpunt legt dat verschil vooraf uit: welke groep voor het dak is, welke voor het laden, en hoe de hoofdaansluiting dat samen moet kunnen dragen.
Wat dit voor de opdrachtgever betekent, is vooral dat de meterkast niet als sluitpost aan het einde van het project moet worden bekeken. Bij een dak dat op een bestaand gebouw wordt gelegd, is de meterkast er al en verandert er relatief weinig. Bij een vrijstaande carport of overkapping is de meterkast onderdeel van de planning vanaf het begin: hoeveel groepen er vrij moeten zijn, of de hoofdaansluiting voldoende is, en hoe de kabel die afstand tussen dak en huis gaat overbruggen. Wie dat vooraf laat uitrekenen op tekening, inclusief de vraag of er een laadpunt bij komt, voorkomt dat de meterkast achteraf het knelpunt wordt van een dak dat verder precies doet wat het moest doen.