Klikzink
Een plat dak met panelen op een ballastframe is een heel ander oppervlak dan het hellende felsdak waar wij het op deze site over hebben. Toch is de vergelijking nuttig, want opdrachtgevers leggen ze vaak naast elkaar, en op het punt van mos en vervuiling gedragen ze zich niet hetzelfde.
Op de felsbaan met geïntegreerde zonnecellen ligt het oppervlak in één vlak. Geen rand die boven het dak uitsteekt, geen beugel waar water achter blijft staan, geen luwte waarin blad en stof zich verzamelen. Mos heeft vocht en stilstaand water nodig om te kiemen, en dat vindt het op een strak hellend felsdak vooral bij de fels zelf, de opstaande naad tussen de banen. Daar loopt water iets langzamer weg dan op het gladde vlak ernaast, en daar zet zich op termijn een fijne laag stof en organisch materiaal af. Op een dak van 30 of 40 graden droogt dat snel weer op. Bij een flauwe helling duurt dat langer, zoals we beschrijven bij de pagina over wat mos en vervuiling doen op een flauwe helling. Het effect op de opbrengst blijft bij het felsdak beperkt tot die naden; het vlak van de cel zelf blijft schoon omdat er niets is waar vuil zich aan vastklampt.
Bij panelen op een frame met tegels als ballast ligt de situatie anders, en dat is precies waar deze twee oplossingen uit elkaar lopen. De panelen staan op een metalen frame, meestal in een lichte hoek van vijf tot vijftien graden, boven een dakbedekking die zelf vlak en waterafvoerend is. Onder de panelen, tussen het paneel en de dakbedekking, ontstaat een luwe zone die nooit helemaal droog wordt. Regenwater dat van het paneel afloopt, komt niet allemaal op het dakvlak terecht; een deel blijft hangen bij de onderrand van het frame, bij de klemmen en bij de ballasttegels zelf. Juist die tegels zijn een verzamelplek. Los gestapelde betontegels hebben voegen en een ruw oppervlak, en daar kiemt mos makkelijker dan op een glad stalen felsvlak. Op een plat dak met beperkte helling blijft dat vocht ook langer staan dan op een hellend dak, simpelweg omdat de afvoer trager gaat.
Het gevolg daarvan op de opbrengst is tweeledig. Mos op de tegels zelf doet weinig aan de opbrengst, want de tegel wekt geen stroom op. Maar mos en algengroei die vanaf de tegel overslaan naar de onderrand van het paneel, of die zich vastzetten op het frame, veroorzaken op langere termijn een schaduwrand aan de onderkant van de string. Bij paneelvelden die in serie geschakeld zijn, kan die schaduw op een klein deel van de string de opbrengst van een heel groter deel drukken. Dat is een risico dat bij geïntegreerde panelen in het dakvlak zelf niet bestaat, simpelweg omdat er geen frame en geen ballastlaag is waarin het zich kan nestelen.
Het zou onterecht zijn om dit alleen in het voordeel van het felsdak te vertellen, want op een aantal punten is de paneel-op-ballast oplossing juist beter af, en dat is precies waarom dat systeem bestaat. Op een plat dak is hellingshoek naar de zon vrij te kiezen; het frame zet het paneel in de gunstigste stand, terwijl een felsdak de hoek van het bestaande dakvlak volgt en dus soms een minder ideale oriëntatie heeft, zoals ook blijkt uit de pagina over wat mos en vervuiling doen op het noorden. Onderhoud aan een plat dak is bovendien eenvoudiger uit te voeren: er is loopruimte tussen de rijen, een dakdekker kan tussen de panelen door lopen om de tegels schoon te maken of te vervangen zonder dat hij over het paneeloppervlak zelf moet lopen. Bij een felsdak is dat vlak zelf het loopoppervlak niet; onderhoud aan een cel betekent altijd werken op de fels, met de voorzichtigheid die een schuin en glad oppervlak vraagt.
Ook is een plat dak met ballast een oplossing die je op vrijwel elk bestaand plat dak kunt neerzetten zonder aan de dakbedekking zelf te raken; het frame drukt met zijn eigen gewicht en doorboort niets. Dat maakt het een geschikte keuze wanneer het dak niet toe is aan vervanging en er toch snel stroom bij moet. Het felsdak is dat niet: het loont pas wanneer het dak zelf vervangen wordt of bij nieuwbouw, omdat je dan één keer betaalt voor dak en opwekking samen. Op een bestaand hellend dak dat nog jaren meekan, is het meestal geen logische stap om het dakvlak eraf te halen voor een geïntegreerd systeem.
Op een felsdak is schoonmaken zelden nodig omdat het glad vlak zichzelf grotendeels reinigt met elke regenbui; wat blijft zitten, is meestal beperkt tot de naad, zoals ook op een zadeldak te zien is waar water via de fels naar de goot loopt. Op een plat ballastdak is periodiek nazicht van de tegels en de onderrand van het frame wel aan te raden, vooral op locaties met veel blad in de buurt, zoals onder bomen. Een dakdekker die daar toch al periodiek langskomt voor inspectie van de dakbedekking, kan dat in één rondje meenemen; het is geen zware ingreep, maar wel een die het platte dak nodig heeft en het felsdak niet.
De vraag is dus niet welk systeem in het algemeen beter is met mos en vervuiling, maar welk dak je hebt en wat er met dat dak gebeurt. Op een bestaand plat dak dat blijft liggen, is een paneel op een ballastframe een bewezen en onderhoudbare keuze, met het genoemde aandachtspunt bij de tegels. Op een hellend dak dat sowieso vervangen wordt of bij nieuwbouw, ligt de geïntegreerde felsbaan voor de hand, met minder aangrijpingspunten voor mos maar ook minder loopruimte voor onderhoud. Wat dat in een concreet geval betekent voor rendement of onderhoudskosten, rekenen wij liever uit op tekening dan dat we het hier in algemene getallen gieten; die verschillen te veel per dakvlak en per uitvoering om er zinvol iets over te zeggen zonder de tekening erbij.