Klikzink
Een lessenaarsdak heeft geen nok, geen tegenoverliggend vlak en meestal maar één hellingsrichting van de goot naar de bovenkant. Dat maakt het een van de eenvoudigste dakvormen om over mos en vervuiling te praten, want er is maar één vlak om naar te kijken. Geen vergelijking tussen twee kanten, geen hoekkeper waar water blijft staan zoals bij een schilddak, geen knik in het midden zoals bij een zadeldak. Alleen de vraag wat er op dit ene vlak gebeurt en waarom dat bij solarfels anders verloopt dan bij panelen op beugels.
Mos heeft vocht nodig dat blijft liggen, en een plek waar het zich kan vastzetten zonder dat het steeds wordt weggespoeld of afgeschraapt door regen en wind. Op een dak met panelen op een montagesysteem ontstaat die plek onder de panelen: de ruimte tussen paneel en dakvlak blijft vochtig, krijgt weinig zon en weinig wind, en juist daar zie je op oudere installaties de eerste groene randjes verschijnen. Bij solarfels is die ruimte er niet. De cellen liggen in het vlak van de baan, op dezelfde hoogte als het staal ernaast, zonder spouw en zonder beugels die een vochtig hoekje maken. Mos krijgt op het gladde, doorlopende felsoppervlak simpelweg minder om zich aan vast te houden.
Dat betekent niet dat een lessenaarsdak met solarfels vrij is van vervuiling. Het betekent dat de vervuiling zich verplaatst naar andere plekken, en op een lessenaarsdak zijn die plekken goed te voorspellen. Onderaan bij de goot, waar het water van het hele vlak samenkomt en waar blad en stof zich ophopen als de afvoer niet ruim genoeg is. Bij de felsnaad zelf, waar een haarlijn vuil kan blijven liggen als er weinig verval is en het dak bijna vlak ligt. En bij doorvoeren of aansluitingen, als die er zijn, waar de doorlopende lijn van de banen wordt onderbroken.
Wat een lessenaarsdak onderscheidt van een zadeldak of schilddak is dat er geen nok is waar twee vlakken samenkomen en geen hoekkeper waar water van twee richtingen elkaar tegenkomt. Op zo'n knooppunt hoopt zich vaker vuil op dan op een gewoon dakvlak, simpelweg omdat het water daar vertraagt. Een lessenaarsdak heeft dat knooppunt niet. Het water loopt van boven naar onder in één beweging, over lange, doorlopende banen, zonder onderbreking door een nok of een vorstgang. Dat is gunstig voor de afvoer van vuil: hoe minder onderbrekingen, hoe minder plekken waar iets kan blijven liggen.
De helling van het vlak is dan wel bepalend voor hoeveel dat oplevert. Een lessenaarsdak met een stevige helling, zeg boven de twintig graden, spoelt zichzelf bij elke regenbui grotendeels schoon. Stof, pollen en dunne aanslag worden meegenomen naar de goot voordat ze de kans krijgen zich vast te zetten. Bij een flauwe helling werkt dat minder goed, en dan gaat de vergelijking meer lijken op wat er gebeurt bij een dak met weinig verval in het algemeen, zoals ook geldt voor een plat dak met ballast, waar vervuiling zich ophoopt omdat er simpelijk geen aanleiding is voor water om te bewegen. Op een lessenaarsdak met een normale hellingshoek speelt dat probleem in mindere mate, en dat is precies waar deze dakvorm zich onderscheidt: één rechte lijn naar de goot, zonder plekken waar het vuil de kans krijgt om te settelen.
Een dunne laag stof op een gewone dakpan is nauwelijks een probleem. Op een cel die stroom moet opwekken is het dat wel, want vuil dat het glasoppervlak bedekt, houdt licht tegen voordat het de cel bereikt. Hoeveel dat concreet aan opbrengst kost, hangt af van de dikte van de laag, hoe lang die er ligt en welk deel van het vlak het treft. Dat rekenen we niet los van de tekening: het verschilt per uitvoering en per dakvlak, en dat is precies waarom wij dat op tekening uitrekenen in plaats van er een algemeen getal op te plakken.
Wat we wel kunnen zeggen is dit: een lessenaarsdak heeft door zijn eenvoudige vorm minder plekken waar vuil zich verzamelt dan een dak met meerdere vlakken en een nok, zoals wij uitleggen bij [mos en vervuiling op een zadeldak](/dakstroom/mos/zadeldak). Er is geen tegenoverliggend vlak dat schaduw werpt op een deel van de banen, en er is geen hoekkeper die extra aandacht vraagt. Dat maakt schoonmaken, als het al nodig is, een kwestie van het hele vlak in één keer bekijken in plaats van een dak in stukken te moeten beoordelen.
Of reinigen zin heeft, hangt sterk af van de oriëntatie van het lessenaarsdak. Een lessenaarsdak dat naar het zuiden helt, vangt over het hele jaar veel licht en dan telt elke laag vuil relatief zwaarder mee, net zoals wij beschrijven bij een dak op het zuiden. Een lessenaarsdak dat naar het noorden is gericht wekt sowieso beperkt op, en dan is de vraag of reinigen de moeite loont een andere afweging, zoals we uitwerken bij een noordelijk vlak. Bij een lessenaarsdak op het oosten of westen ligt het ertussenin: de ochtend- of avondzon levert genoeg op om vervuiling serieus te nemen, maar niet zoveel dat wekelijks vegen nodig is.
Omdat een lessenaarsdak vaak op één enkele, lange helling ligt zonder nok, is het makkelijker te inspecteren dan een dak met vier vlakken. Je staat op één lijn, kijkt over de volle lengte van de banen en ziet in één oogopslag of er ergens een strook is die achterblijft, meestal onderaan bij de goot. Bij een normale hellingshoek is dat meestal het enige punt dat aandacht vraagt: de rest van het vlak spoelt zichzelf voldoende schoon. Bij een flauwe of bijna vlakke uitvoering van het lessenaarsdak verschuift dat, en dan is periodieke controle verstandiger dan wachten tot het zich vanzelf oplost.
De blinde bevestiging van de banen, onder de fels en zonder schroef door het dakvlak, speelt hier ook een rol. Er zijn geen kopjes van bevestigingsmateriaal die net iets boven het vlak uitsteken en waar vuil zich achter kan opstapelen. Het oppervlak is vlak van rand tot rand, en dat is precies de eigenschap die het schoonhouden van een lessenaarsdak eenvoudiger maakt dan bij een systeem met beugels erop.
De conclusie dat een lessenaarsdak weinig aanleiding geeft voor mos en dat vervuiling zich vooral bij de goot verzamelt, geldt voor een dak met een redelijke helling. Bij een lessenaarsdak dat bijna vlak is aangelegd, verschuift het verhaal richting wat er gebeurt op een flauwe helling in het algemeen: minder zelfreinigend vermogen, meer kans dat een dunne laag vuil blijft liggen. En bij een lessenaarsdak in de schaduw van bomen of een hoger gebouw ernaast telt de oriëntatie zwaarder dan de vorm van het dak zelf. In die gevallen is het niet de lessenaarsvorm die de doorslag geeft, maar de helling en de omgeving, en dat is dan ook waar we naar kijken als we een dakvlak op tekening beoordelen.