Klikzink
Een schuur heeft meestal een eenvoudig dakvlak. Geen dakkapel, geen schoorsteen, geen dakraam, en vaak ook geen hoge eisen aan hoe het er precies uitziet zolang het dicht en heel blijft. Dat maakt een schuurdak een logisch vlak om te vervangen en meteen te laten opwekken: de opgave is overzichtelijk, en het is vaak het dakvlak waar vervangen het minst kost en opwekken het meest oplevert, al blijft dat per gebouw verschillen en rekenen wij dat pas echt uit op tekening.
De vraag die overblijft is waar het water dan wél een probleem kan worden. Niet in de baan zelf. Een felsbaan met zonnecellen erin is nog steeds een felsbaan: hetzelfde verzinkte staal, dezelfde matte coating, dezelfde haakse fels van 35 mm die de banen aan elkaar klikt. Er gaat geen schroef doorheen om een paneel te bevestigen, want de bevestiging van het dak is hier ook de bevestiging van de opwekking. Op de plek waar bij een gewoon paneel een beugel door de dakbedekking zou moeten, zit bij dit systeem gewoon dakvlak. Dat scheelt een doorboring die daarna weer waterdicht gemaakt moet worden, en dat is precies de plek waar op een schuurdak met beugelpanelen na een paar jaar wel eens een lekkage begint.
De echte aandachtspunten liggen dus niet in het vlak, maar op de plekken waar het vlak overgaat in iets anders.
Elke schuur met dakstroom heeft minstens één doorvoer nodig: de bekabeling moet ergens naar binnen. Dat gebeurt niet dwars door een baan met cellen, maar via een vaste, voorbereide doorvoer op een plek die van tevoren op tekening is gekozen. Bij een eenvoudige schuur, zonder dakraam of schoorsteen die de indeling al vastlegt, is er meestal veel vrijheid om die doorvoer te leggen waar hij het minst in de weg zit: onderaan het dakvlak, dicht bij de gevel, op een plek waar toch al een overgang in het dakbeschot zit. Hoe die doorvoer er technisch precies uitziet en hoe de kabel vervolgens verder loopt, leggen we uit bij hoe de stroom naar binnen komt, maar voor de waterdichtheid geldt vooral dit: één doorvoer, op een vaste plek, is eenvoudiger dicht te houden dan een dakvlak met tien beugeldoorvoeren verspreid over het hele oppervlak.
Aan de bovenkant van het dak komen de banen van de twee dakvlakken samen bij de nok. Daar zit een nokstuk dat de twee dakhelften met elkaar verbindt en dat net als de rest van het dak regen- en winddicht moet zijn, ook bij een schuur waar de nok vaak laag ligt en makkelijk bereikbaar is voor wind van alle kanten. Bij een dak met geïntegreerde zonnecellen ligt er bovendien iets net onder die nokaansluiting: de laatste rij cellen, met de kabels die daar samenkomen voordat ze de doorvoer bereiken. Die aansluiting is precies het detail waar wij op tekening naar kijken voordat een schuurdak wordt uitgevoerd, zoals we ook toelichten bij de aansluiting op de nok, want een nok die goed sluit op een dak zonder cellen sluit niet automatisch even goed op een dak waar net onder de rand nog bekabeling loopt.
Niet elke baan op een schuurdak hoeft cellen te hebben. Vaak ligt er langs de rand, bij de goot of bij een hoekkeper, een baan zonder cellen, gewoon om het dakvlak netjes af te werken of omdat die strook nu eenmaal beschaduwd is door een boom of de nokrand van een aangebouwd deel. Die overgang van een baan met cellen naar een baan zonder cellen lijkt onschuldig, want het is dezelfde fels, dezelfde klik, hetzelfde profiel. Maar het is wel de plek waar twee verschillende opbouwen elkaar raken, en bij de fabricage en montage wordt daar specifiek op gelet: de overlap moet net zo goed zijn als tussen twee gewone banen, anders ontstaat precies op die naad een zwakke plek die je op een dakvlak zonder cellen niet zou hebben.
Een schuur heeft doorgaans minder van dit soort overgangen dan een woonhuis. Geen dakkapel die het dakvlak in stukken breekt, geen schoorsteen die om een loodslabbe vraagt, geen dakraam dat een gat in het cellenvlak maakt. Hoe minder van die onderbrekingen, hoe minder plekken waar de waterdichtheid apart georganiseerd moet worden, en hoe eenvoudiger het is om vooraf op tekening te bepalen waar de doorvoer komt, hoe de nok wordt afgewerkt en waar eventueel een baan zonder cellen nodig is. Bij een schuur met een enkel, ongebroken zadeldak is dat vaak in één keer overzichtelijk te maken.
Als een schuur wél een dakraam heeft, een ventilatiekap, of een schoorsteen van een houtkachel die er middenin staat, dan is dit dakvlak alsnog opgedeeld en moet er per doorbreking gekeken worden hoe die wordt ingepast. Dat kan, maar het is dan niet meer het eenvoudige geval waar dit systeem het voordeligst uitpakt. Bij een schuur die toch al gebruikt wordt voor opslag met veel gaten in het dak voor lichtkoepels, kan een gewoon paneel op beugels op een bestaand dak praktischer zijn, juist omdat een paneelmontage zich makkelijker om zo'n obstakel heen laat plaatsen dan een doorlopende felsbaan.
In de praktijk komt het erop neer dat bij een eenvoudige schuur de waterdichtheid vooral een kwestie is van drie details goed regelen: één doorvoer op een vaste plek, een nokaansluiting die rekening houdt met de kabels eronder, en een overgang naar niet-actieve banen die net zo goed overlapt als de rest van het dak. De felsbaan zelf, met of zonder cellen, gedraagt zich verder als elk ander stalen dak: hij voert water af via de fels, blijft dicht zonder kit of afdichtingsmiddel in het vlak, en heeft geen doorboringen die na verloop van tijd kunnen gaan lekken zoals bij een opgeschroefd paneel weleens gebeurt.
Wat het precies gaat kosten om een bestaande schuur op deze manier te herdekken, en wat het oplevert aan stroom, verschilt sterk per dakvlak: de hellingshoek, de oriëntatie, de lengte van de banen en het aantal overgangen spelen allemaal een rol. Daarom rekenen we dat niet in algemene termen voor, maar op tekening van de schuur die het betreft. Wie een dakvlak heeft liggen, kan dat opsturen en er komt een concrete uitwerking terug van hoe de banen, de doorvoer en de nok op die specifieke schuur worden ingedeeld.