Klikzink
Een sporthal heeft meestal een groot dakvlak zonder tussensteunpunten: één lange overspanning van gevel tot gevel, met een flauwe helling omdat de constructie daaronder geen extra hoogte kan gebruiken. Dat is precies het type dak waar vervuiling zich anders gedraagt dan op een gewoon schuin daglicht met panelen erbovenop.
Op een dak met panelen op een montagerail ontstaat er ruimte tussen het dakvlak en de onderkant van het paneel. Daar waait het niet, daar spoelt regenwater niet vrij overheen, en daar blijft blad, stof en zaad van bomen liggen. Op een vlak of flauw hellend dak, zoals bij een sporthal vaak het geval is, is die luwte extra groot omdat de wind minder grip heeft op het dakvlak. Mos begint precies op die plek: in de schaduwrand onder het paneel, waar het vocht vasthoudt en niet wegdroogt. Een felsdak met de cellen in het vlak zelf heeft die tweede laag niet. Er is geen rand, geen kier, geen luwte tussen dak en paneel, want het paneel is het dak. Regen die over de banen loopt, loopt ook over de cellen, met dezelfde snelheid en in dezelfde richting als over de rest van het dakvlak.
Dat betekent niet dat er nooit iets aanslaat. Mos en algen hebben ook houvast nodig, en die vinden ze eerder in een fels dan op een glad vlak. Bij een felsdak is dat de haaks opstaande naad tussen de banen, 35 mm hoog, waar bij langdurige vochtigheid en weinig zon een dunne groene laag kan ontstaan, net als op de daknok van elk metalen dak. Op het vlakke deel van de baan, waar de cellen liggen, gebeurt dat veel minder: daar is de coating glad, mat en zonder oneffenheid om aan vast te zitten. Vervuiling die er wel neerslaat, zoals stof, pollen of een dun laagje roet uit de omgeving, spoelt bij een flauw hellend dak minder snel weg dan bij een steil dak. Dat geldt voor een sporthal net zo goed als voor elk ander gebouw met die hellingshoek, met of zonder zonnecellen.
Bij een sporthal piekt het verbruik vaak 's avonds: trainingen, wedstrijden, verlichting en ventilatie lopen door tot na kantoortijd, precies wanneer de zon al laag staat of weg is. De opwekking van het dak moet het dus vooral overdag waarmaken, in de uren dat er wél licht op valt. Een centimeter mos op een klein deel van het dakvlak, of een laag stof dat het licht dempt, weegt in die situatie zwaarder mee dan bij een gebouw waar verbruik en opwekking gelijk oplopen. Niet omdat de cellen minder goed werken, maar omdat er voor het net minder ruimte overblijft om overdag opgewekte stroom direct te gebruiken: wat er niet wordt opgewekt op het moment dat het kan, is niet te verplaatsen naar de avond zonder opslag. Bij een sporthal met een groot overspannend dak zonder tussensteunpunten is het hele dakvlak vaak in één opwekkingsrichting georiënteerd, dus vervuiling die op één plek zit, raakt in verhouding een groter deel van de opbrengst dan op een dak dat in meerdere richtingen is opgedeeld.
Wat je in de praktijk doet, is niet anders dan bij een dak zonder zonnecellen: een dakvlak van deze omvang wordt periodiek geïnspecteerd en zo nodig schoongemaakt, meestal in het najaar als blad en zaad zich hebben verzameld bij hemelwaterafvoeren en overgangen. Omdat er geen beugels, klemranden of kabelgoten boven het dakvlak uitsteken, zijn er ook geen plekken waar bladafval blijft liggen en een vochtig nest voor mos vormt. Dat is meteen ook de plek waar dit dak zich onderscheidt van een dak met opgebouwde panelen: daar is de onderkant van elk paneel, elke beugel en elke rail een verzamelplek voor vuil die je met een normale dakinspectie niet ziet en niet bereikt zonder de panelen los te maken. Bij een felsdak inspecteer je het dakvlak zoals je elk stalen dak inspecteert: van boven, in zijn geheel, zonder iets te moeten optillen.
Schoonmaken van een felsdak met cellen erin is in de basis gelijk aan het onderhoud van een stalen dak zonder cellen: een dakvlak schoonhouden bij de doorvoeren en de goot, en bij langdurige vochtige perioden een keer kijken of er in de fels iets aanslaat. Bij een sporthal, waar het dak vaak alleen bereikbaar is via een vaste ladder of met een hoogwerker vanwege de bouwhoogte, weegt het zwaarder dat er geen onderconstructie is om schoon te maken. Er zit niets tussen de baan en het dakisolatie waar je apart bij moet, zoals wij ook beschrijven bij [de uitleg over warmte onder het dakvlak](/dakstroom/sporthal/warmte): het is één opbouw, met één oppervlak dat je onderhoudt.
Bij twijfel over hoe vervuilingsgevoelig een specifiek dakvlak is, telt de hellingshoek meer dan het feit dat er cellen in liggen. Een steiler dakvlak spoelt zichzelf grotendeels schoon bij elke regenbui; een flauw hellend dakvlak, zoals bij veel sporthallen, heeft dat voordeel niet en vraagt dus iets vaker een blik omhoog, of een keer per jaar een dakinspectie waarbij ook gekeken wordt naar de staat van de felsranden. Dat verschilt per gebouw, per omgeving en per boombeplanting in de buurt, en dat rekenen we niet op voorhand dicht: op tekening kijken we naar de hellingshoek, de oriëntatie en de omgeving van het specifieke dakvlak, en dan is te zeggen wat voor onderhoudsregime daarbij past.
Wie een sporthal ontwerpt of vervangt en het dak zelf wil laten opwekken, kan bij Klikzink in Ede een dakvlak op tekening laten doorrekenen, inclusief de gevolgen van hellingshoek en omgeving voor vervuiling en onderhoud.