Klikzink
Een aanbouw ligt vaak laag, dicht tegen het hoofdhuis aan, soms half in de schaduw van een boom of een buurpand. Dat zijn precies de omstandigheden waarin mos op een dak goed gedijt: weinig wind, wat vocht dat blijft liggen, en een oppervlak waar sporen zich kunnen vastzetten. Bij een gewoon paneel op beugels ligt er onder het paneel een luchtspouw van een paar centimeter. Daar waait het niet, daar spoelt regenwater niet overheen, en daar hoopt zich op een gegeven moment een laagje blad, stof en zaad op waar mos in kan kiemen. Op een felsbaan met de cellen erin verwerkt is die spouw er niet. Het oppervlak is vlak, er is geen kier waarin vuil kan blijven liggen, en regenwater loopt gewoon over het dakvlak naar de goot zoals het dat op een gladde stalen plaat altijd doet.
Dat betekent niet dat er nooit iets aanslaat. Mos en vervuiling zoeken de plek waar wél iets vasthoudt: de overgang naar het hoofddak, de aansluiting bij de gevel, en de rand bij de goot. Bij een aanbouw is die overgang naar het hoofddak vaak de kwetsbaarste plek van het hele dakvlak, kwetsbaarder dan het vlak zelf. Daar loopt water van het grote dak soms mee af over het kleine, daar ligt vaak een inwatering of een looddetail, en daar verzamelt zich sneller wat blad en gruis dan op het vrije vlak van de aanbouw zelf. Bij een dakvlak dat we recent hebben opgeleverd, tegen een bestaand woonhuis aan, lag precies op die aansluiting na een paar maanden een dun randje mos, terwijl de rest van het dak schoon was. Niet omdat de felsbaan daar iets anders doet, maar omdat die rand nu eenmaal het langst vochtig blijft.
Wat dat kost aan opbrengst is niet in een getal te vangen zonder het dakvlak te zien. Een klein randje mos op de overgang bij de gevel beschaduwt geen cel, dus daar verandert niets aan de opwekking. Zit het vuil wel op het vlak zelf, op een van de banen met cellen erin, dan telt dat mee zoals elke andere vervuiling: een cel die voor een deel in de schaduw van een blaadje of een moslaagje ligt, levert voor dat deel minder op. Hoeveel dat precies scheelt, hangt af van hoeveel oppervlak het beslaat en hoe lang het er ligt voor iemand het opmerkt of het wegspoelt. Dat verschilt per dak, per ligging en per seizoen, en dat rekenen we liever uit op tekening dan dat we er hier een getal aan hangen dat voor het volgende dak toch weer anders uitpakt.
De overgang naar het hoofddak is bij een aanbouw ook om een andere reden een aandachtspunt, los van mos. Het is de plek waar twee dakvlakken op elkaar aansluiten, vaak onder een andere hoek, en waar de felsbanen van de aanbouw eindigen tegen een bestaande dakrand of een stuk gevel. Bij een aanbouw die we voor een particulier hebben gedaan, sloot de nieuwe felsbaan met cellen aan op een bestaand pannendak van het hoofdhuis. Dat vraagt om een goed uitgewerkt overgangsdetail, met een deugdelijke inwatering, voordat er ergens een cel in de plaat komt. Dat detail bepaalt namelijk niet alleen of het dak droog blijft, het bepaalt ook of die aansluiting op termijn een plek wordt waar vuil zich verzamelt of niet. Een overgang die goed afwatert, houdt zichzelf grotendeels schoon. Een overgang waar water blijft staan, wordt op een laag dak zoals een aanbouw sneller de plek waar je het eerst iets ziet groeien.
Een aanbouw heeft meestal ook een tweede bijzonderheid: de meterkast van het huis zit vaak al vlakbij, in de aanbouw zelf of in de muur waar de aanbouw tegenaan staat. Dat is voor de bekabeling praktisch, de afstand tussen dak en meterkast is kort, maar het betekent ook dat de doorvoer door het dakvlak of de aansluitende gevel op een vaste, van tevoren bepaalde plek moet liggen. Die doorvoer is een van de weinige plekken in het hele dakvlak waar iets door het felsoppervlak heen gaat, en het is dus ook een plek die netjes afgewerkt moet zijn om vuilophoping te voorkomen. Bij het project met de aansluiting op het pannendak hebben we die doorvoer laten meelopen met een bestaande leidingschacht naast de meterkast, zodat er op het dakvlak zelf geen extra opening bij kwam die weer een randje kon worden waar iets achter blijft liggen.
Voor een laag, beschut dakvlak zoals een aanbouw is de conclusie eigenlijk simpel: het vlak zelf houdt zichzelf schoner dan een dak met paneelbeugels erop, maar de randen en overgangen vragen om aandacht, precies omdat een aanbouw meer overgangen heeft per vierkante meter dan een groot vrijstaand dakvlak. Een enkel klein dakvlak tegen een bestaand huis heeft verhoudingsgewijs veel randlengte: de gevelaansluiting, de overgang naar het hoofddak, de rand bij de goot en soms een zijkant tegen een schutting of buurpand. Elke rand is een plek waar minder wind komt en waar dus iets eerder blijft liggen dan op het open midden van het vlak.
Of dat in de praktijk om iets gaat waar een eigenaar zich zorgen over moet maken, hangt af van de oriëntatie van de aanbouw, van de bomen erboven en van hoe het regenwater precies wegloopt. Op een dakvlak dat pal op het zuiden ligt en weinig schaduw heeft, spoelt een enkel blaadje er zo weer af. Op een dakvlak aan de noordzijde, half onder een overhangende tak, ligt de zaak anders en is het onderhoud dat er toch al bij hoort, een keer per jaar vegen en kijken, meer dan symbolisch. Wij kunnen dat verschil pas goed inschatten als we de tekening en de situering van het dakvlak zien, inclusief de plek van de meterkast en de manier waarop de aanbouw op het hoofddak aansluit. Dat rekenen we dan uit, zonder vooraf een getal te noemen dat voor het volgende dak toch weer anders zou zijn.