Klikzink
Bij een twee-onder-een-kapwoning is het dak één doorlopend vlak, maar de meterkasten zijn dat niet. Elk huis heeft zijn eigen aansluiting, zijn eigen hoofdgroep en zijn eigen contract met de netbeheerder. Dat is meteen de kern van wat hier anders ligt dan bij een vrijstaand huis met een enkelvoudig dak: de opwekking in het dakvlak moet netjes uitkomen in twee gescheiden installaties, ook als de felsbanen van het ene huis en het andere huis zichtbaar één doorlopende laag vormen.
De meterkast is waar de opbrengst van de eigen dakhelft landt. Vanaf de omvormer, die zoals wij uitleggen bij [waar de omvormer komt](/dakstroom/twee-onder-een-kap/omvormer) voor elk huis apart op zijn eigen route staat, loopt een kabel naar de eigen meterkast. Daar moet ruimte zijn voor een aansluitpunt van de omvormer, een aparte groep met de juiste beveiliging en vaak een aardlekautomaat die geschikt is voor gelijkstroomcomponenten. Bij een bestaande meterkast is dat niet altijd probleemloos. Een meterkast uit de jaren tachtig, met een oude groepenkast en net genoeg ruimte voor de wasmachine en het fornuis, heeft simpelweg geen vrije groep meer over. Dan moet er eerst iets bij, voordat er een felsbaan met zonnecellen bij kan.
Of de bestaande groep het aankan hangt af van twee dingen: de capaciteit van de aansluiting zelf, en de ruimte in de groepenkast. Een woning met een aansluiting van 1x25 ampère heeft in de praktijk minder rek dan een woning met 3x25. Bij een twee-onder-een-kap zie je regelmatig dat de ene helft ooit is verbouwd of uitgebreid met een zwaardere aansluiting, terwijl de andere helft nog de oorspronkelijke heeft. Dat is geen probleem voor het dak, dat gewoon doorloopt over beide huizen, maar het is wel iets waar de installateur van elk huis apart naar moet kijken. Het dakvlak is gedeeld, de elektrische installatie niet, en die twee moeten niet met elkaar verward worden.
Een zwaardere aansluiting komt in beeld zodra het totale vermogen van de opwekking op één dakhelft de ruimte van de bestaande hoofdgroep overschrijdt, of wanneer er naast de zonnecellen ook een warmtepomp of een laadpaal bij komt. Dat laatste is bij een twee-onder-een-kap niet ongewoon: als beide bewoners min of meer gelijktijdig verduurzamen, vraagt de ene misschien alleen de felsbanen aan en de andere ook een laadpaal voor de auto. Dan loopt de ene meterkast tegen zijn grenzen aan en de andere niet, ook al liggen de daken naast elkaar en zien ze er identiek uit. De netbeheerder beoordeelt dit per aansluiting, per huisnummer, nooit per dak. Een opwaardering van de aansluiting is dan een zaak tussen de bewoner en de netbeheerder, los van wat er met de buurman gebeurt.
Er is nog een praktisch punt dat bij een twee-onder-een-kap wat vaker naar voren komt dan bij een vrijstaand huis: de meterkasten liggen soms rug aan rug, met een gedeelde wand, en de hoofdleiding van het net komt op één punt het huis binnen. Dat is een kwestie van de bestaande bouw en heeft niets met de felsbanen te maken, maar het betekent wel dat een elektricien die voor huis nummer 12 komt kijken, in de praktijk ook meteen even langs nummer 14 loopt, puur omdat de kasten tegen elkaar aan staan. Dat is geen technische noodzaak, het is gewoon handig, en het scheelt een tweede afspraak.
De scheiding tussen de twee huizen zit niet in de meterkast maar op het dak zelf, en dat is precies waar bij een twee-onder-een-kap de eerste vraag ligt voordat er over aansluitingen wordt gesproken. Eén doorlopend dakvlak boven twee eigenaren betekent dat er een lijn moet zijn, meestal op de erfgrens die ook onder het dak doorloopt, die vastlegt welke banen bij welk huis horen. Bij een tweekapper die in één keer wordt aangepakt, in overleg tussen beide eigenaren, is dat eenvoudig: de banen worden per huis besteld, per huis afgerekend en per huis aangesloten op de eigen meterkast, ook al ligt het dak er als één geheel bij. Lastiger wordt het wanneer de ene helft van het dak nu wordt vervangen en de andere helft pas over een paar jaar. Dan moet de knip in het dakvlak, en daarmee ook de knip in de bekabeling naar de twee meterkasten, precies op de goede plek liggen, en dat is iets wat vooraf op tekening wordt vastgelegd, niet iets wat je tijdens het werk nog even verschuift.
De bekabeling van het dak naar de meterkast volgt bij dit soort woningen doorgaans de kortste route naar binnen, meestal via de eigen zolder of spouw, zodat de kabel van het ene huis nooit door de ruimte van het andere huis moet. Dat is niet anders dan bij losse panelen op een dak, maar bij een felsdak met geïntegreerde cellen ligt de kabeldoorvoer al vast in het ontwerp van de baan, wat het aantal keuzes op de bouwplaats juist kleiner maakt. Er is één doorvoerpunt per huis nodig, niet één per paneel, en dat scheelt een paar beslissingen die anders tussen de twee eigenaren afgestemd zouden moeten worden.
Bij panelen die op een bestaand dak worden gelegd, is de meterkastvraag meestal een simpele optelsom: hoeveel paneelvermogen, hoeveel omvormervermogen, past dat op de bestaande groep. Bij een felsdak met de cellen in het dakvlak zelf komt daar de vraag bij hoe het dak zelf verdeeld wordt tussen de twee huizen, omdat de banen in serie liggen en de knip tussen huis A en huis B in het vlak zelf gemaakt moet worden, niet alleen in de bekabeling erachter. Dat maakt de eerste tekening iets belangrijker dan bij paneelmontage, en het is precies de reden waarom wij liever eerst het hele dakvlak op papier zien, met de erfgrens en de twee meterkasten erbij ingetekend, voordat er iets besteld wordt.
Of de bestaande aansluiting volstaat, hoeveel groepen erbij moeten en of er een zwaardere aansluiting nodig is, verschilt van huis tot huis en van dak tot dak. Dat rekenen we uit op tekening, per eigenaar apart, zodat beide helften van de tweekapper allebei een aansluiting hebben die past bij wat hun eigen dakhelft gaat opwekken.