Klikzink
Een twee-onder-een-kapwoning heeft meestal één doorlopend dakvlak boven twee woningen met twee eigenaren. Dat is bij een verbouwing meteen de eerste complicatie. Een opbouw op de ene helft, een dakkapel op de andere, een aanbouw aan de achterzijde: elke ingreep raakt een dakvlak dat niet bij één huis alleen hoort. Voor wie overweegt om bij die verbouwing meteen de zonnecellen in het dak te laten verwerken in plaats van panelen erop te zetten, is de vraag dus niet alleen wat er technisch kan, maar ook wie waarvoor betaalt en waar de grens in het dakvlak precies loopt.
Eerst het gewone geval, zonder de complicatie van de tweede eigenaar. Een aanbouw of opbouw verandert de vorm van het dak. Er komt een nieuw dakvlak bij, of een bestaand vlak wordt kleiner of krijgt een andere hoek. Op dat moment is er een keuze te maken die bij een ongewijzigd dak niet voorligt: neem je bij de verbouwing het hele dak mee, of vervang je alleen het nieuwe stuk en laat je de rest staan. Bij een felsdak met geïntegreerde zonnecellen werkt die keuze net iets anders dan bij paneel op een bestaand dak, omdat de banen op elkaar aansluiten in kleur en lijn. Een nieuw dakdeel met cellen naast een oud dakdeel zonder cellen is te zien, ook als de dakbedekking verder bij elkaar past. Wie dat verschil niet wil, neemt bij een opbouw al snel het hele dakvlak in één keer mee, ook het deel dat er op zichzelf nog jaren mee had kunnen doen.
Bij een twee-onder-een-kap komt daar de vraag bij wie dat betaalt en beslist. Het dak loopt vaak fysiek door over de erfgrens, maar het eigendom stopt bij de scheidsmuur of bij een lijn die op de kadastrale kaart staat en op het dak zelf niet te zien is. Een aanbouw aan één kant van de woning raakt in de regel alleen dat deel van het dakvlak dat bij die ene eigenaar hoort, en dan is er geen probleem: de andere helft blijft ongewijzigd en de vervanging blijft binnen één perceel. Lastiger wordt het bij een opbouw die het silhouet van het hele dak verandert, of bij een verbouwing waarbij de gemeente of de welstandscommissie eist dat de twee helften van het dak in aanzien bij elkaar blijven passen. Dan is de vervanging technisch een zaak van één eigenaar, maar in aanzien een zaak van twee. Dat is geen technische vraag die met een felsplaat wordt opgelost, het is een afspraak die voor de sloophamer gemaakt moet worden.
Een voorbeeld uit de praktijk: bij een dakopbouw over de volle breedte van een twee-onder-een-kapwoning, waarbij de nok wordt opgetrokken, verandert het dakvlak van beide helften tegelijk, ook als maar één huiseigenaar de opbouw wil. De buurman krijgt dan een nieuw dakvlak boven zijn hoofd zonder dat hij zelf iets aan zijn huis heeft laten doen. In zulke gevallen wordt in de praktijk vaak één dakdekker voor het hele dak ingeschakeld, met een verdeling van de kosten die los staat van de vraag of er zonnecellen in het dak komen. Die verdeling is aan de eigenaren en hun aannemer, niet aan de dakbedekking. Wat wel relevant is: als het dak toch in zijn geheel vervangen wordt, is dat het moment waarop meenemen van geïntegreerde opwekking het minst extra kost, omdat het dak er sowieso af moet en er opnieuw gewalst en gelegd wordt.
Een tweede voorbeeld: een uitbouw aan de achterzijde met een plat dak die aansluit op het hellende dakvlak van de twee-onder-een-kap. Hier verandert het hellende dakvlak zelf niet, alleen de aansluiting aan de voet. Dat is een moment waarop vervanging van het hele hellende dak niet nodig is, en waarop het dus ook niet loont om de zonnecellen erin te verwerken, simpelweg omdat het bestaande dak blijft liggen. Wachten tot het dak aan vervanging toe is, of tot er toch een ingreep in het hele dakvlak nodig is, is dan de nuchtere keuze. Geïntegreerde opwekking is duurder per wattpiek dan een paneel op beugels, en dat verschil wordt alleen goedgemaakt als je niet twee keer betaalt voor twee ingrepen die ook in één keer hadden gekund.
Een derde geval is de dakkapel. Een dakkapel doorbreekt het dakvlak op een beperkt stuk en verandert de rest van het vlak niet. Bij een felsdak met cellen betekent dat een onderbreking van een aantal banen, met een aansluiting rond de dakkapel die net zo wordt uitgevoerd als bij een dak zonder cellen: met de gebruikelijke randafwerking, niet met een aparte constructie voor de opwekking. Voor de buurwoning verandert er niets, want de dakkapel blijft binnen het dakvlak van één eigenaar. Dit is het eenvoudigste geval van de drie: een lokale ingreep die geen overleg met de buren vergt over de vorm van het dak, wel eventueel over het aanzien als de regels van de wijk daar iets over zeggen.
Waar in alle drie de gevallen naar gekeken moet worden, is de bekabeling en de plek van de omvormer. Bij een twee-onder-een-kap met één doorlopend dakvlak maar twee installaties, ligt het voor de hand dat elke helft zijn eigen leidingweg naar zijn eigen meterkast krijgt, ook als de banen op het dak in elkaars verlengde liggen. Dat wordt op tekening bepaald voordat de eerste baan gelegd wordt, niet achteraf. Bij een verbouwing is dat moment er vanzelf: er wordt toch een bouwtekening gemaakt, en daar past de indeling van het dakvlak in twee stroken, elk met zijn eigen doorvoer, gewoon bij.
De eerlijke conclusie voor dit gebouwtype is dat de meeste verbouwingen aan een twee-onder-een-kapwoning niet automatisch een reden zijn om het dak zelf stroom te laten opwekken. Een aanbouw die het dakvlak niet raakt, of een dakkapel die maar een deel van het vlak doorbreekt, is geen aanleiding om de rest van het dak eraf te halen. Een opbouw die het hele dakvlak van beide helften verandert, is dat wel, en dan is het verstandig om de buurman er in een vroeg stadium bij te betrekken, al is het maar om de aansluiting in de dakvorm en het aanzien af te stemmen. Wat dit gaat kosten en of het op dit dak, in deze verdeling, uitkomt, is per situatie verschillend. Klikzink rekent dat op tekening uit, voor het hele dakvlak of voor het deel dat bij de verbouwing hoort.