Klikzink
Een vakantiepark heeft geen dak, het heeft daken. Een recreatiewoning van vijfenveertig vierkante meter, een sanitairgebouw, een receptie met een kantoortje erboven, misschien een zwembadhal. Elk gebouwtje met zijn eigen kap, zijn eigen aansluiting, zijn eigen verbruikspatroon. Dat is een andere situatie dan een loods of een kantoorpand met één groot dakvlak en één grote meter, en het bepaalt wat er met de opgewekte stroom gebeurt zodra hij het dak verlaat.
Stroom die je zelf gebruikt op het moment dat hij wordt opgewekt, is de stroom die het meeste waard is. Wat er over is, gaat het net op, en daar zit de laatste jaren de rem op: netbeheerders geven niet overal meer onbeperkt ruimte om terug te leveren, en wat je teruglevert wordt anders verrekend dan een paar jaar geleden. Dat verandert de vraag die er eigenlijk toe doet. Niet hoeveel dakoppervlak er ligt, maar hoeveel van die opwekking samenvalt met een stopcontact dat op dat moment iets vraagt.
Bij een vakantiepark valt dat vaak beter samen dan je zou denken, en soms slechter. Het bungalowpark is in de zomer vol, en in de zomer schijnt de zon het langst en het felst. Airconditioning, koelkasten, de was van vertrekkende gasten, het zwembad dat wordt rondgepompt en verwarmd: dat verbruik loopt gelijk op met het uur waarop de daken het meeste leveren. Een gewoon woonhuis heeft dat probleem niet zo scherp, daar wordt het meeste verbruikt in de vroege ochtend en de avond, net buiten de piek van de zon. Een park waar de bezetting in het hoogseizoen zit, verbruikt juist overdag, en dat is precies waar geïntegreerde opwekking iets oplevert dat je in de meterstand ziet in plaats van op het net.
De andere kant van dat verhaal is het laagseizoen. Van november tot en met februari staan veel recreatiewoningen leeg of half leeg, terwijl de daken, voor zover ze zon krijgen, nog steeds iets opwekken. Dat is dan bijna allemaal teruglevering, op precies de maanden waarin het net dat het minst hard nodig heeft en waarin de vergoeding er dus het minst gunstig uitziet. Een vakantiepark heeft dus een verbruikspatroon met een uitgesproken seizoen, sterker uitgesproken dan een kantoor of een woonwijk, en dat werkt in het voordeel van zomerdaken en in het nadeel van winterdaken.
Wat veel kleine daken daarnaast anders maakt dan één groot dak, is dat je per gebouw kunt kijken wat er met de stroom gebeurt in plaats van dat alles in één grote pot valt. Het sanitairgebouw dat het hele jaar door warm water en ventilatie nodig heeft, is een ander verbruiksprofiel dan de bungalow die van april tot oktober bewoond is en de rest van het jaar op de vorstvrije stand staat. Op tekening kun je die twee daken los van elkaar beoordelen: welk dakvlak ligt goed op de zon, en welk gebouw erachter heeft een verbruik dat daar iets aan overhoudt in plaats van dat het grotendeels wordt teruggeleverd. Dat is een rekensom per gebouw, niet een rekensom voor het park als geheel, en die verschilt van park tot park en van dakvlak tot dakvlak. Wij maken die rekensom op tekening, per gebouw, in plaats van op basis van een vierkantemeterprijs die voor het hele park zou moeten gelden.
Het type gebouw speelt daarin ook mee, los van het verbruik. Bij recreatiewoningen die in bosrijk of duinrijk gebied staan, is de dakvorm vaak beperkt: schuine kappen, vaak met dakkapellen, soms met een schoorpijp of een ventilatiekanaal dat een deel van het vlak in de schaduw zet. Het aantal volle, onbeschaduwde banen dat er dan nog inzit, bepaalt hoeveel er per gebouwtje wordt opgewekt, en dat is ander werk dan het uitrekenen van een dakvlak van tweehonderd vierkante meter op een bedrijfshal waar schaduw meestal geen rol speelt. Wat schaduw op zo'n dak precies met de opwekking doet, staat uitgewerkt op de pagina over schaduw op het dak van een vakantiepark; hier gaat het erom dat een verspreid park met veel kleine, soms deels beschaduwde daken een ander optelsommetje oplevert dan één groot vrijliggend dakvlak.
Waar de opgewekte stroom precies het net op gaat of juist in het gebouw blijft, hangt ook af van hoe het park is aangesloten. Sommige parken hebben één grote aansluiting voor het hele terrein met onderverdeling naar de gebouwen erachter, andere hebben elk gebouw los aangesloten op het net. Dat raakt aan de vraag waar de omvormer staat en hoe de stroom van dak naar meter loopt, iets dat uitgebreider aan de orde komt op de pagina over waar de omvormer komt bij een vakantiepark met veel kleine daken. Voor het net zelf maakt die keuze verschil: bij één centrale aansluiting kan overschot van het ene gebouw makkelijker wegvallen tegen verbruik van het andere, bij losse aansluitingen per bungalow blijft elk dakje op zichzelf staan en telt alleen het eigen verbruik van die ene woning.
Voor de eigenaar van een park is de praktische conclusie dus niet dat een groter dakoppervlak meer oplevert, maar dat het er vooral om gaat welk deel van die opwekking op het moment zelf wordt gebruikt. Een sanitairgebouw dat het hele jaar door draait, is in dat opzicht interessanter dan het dak van een recreatiewoning die acht maanden per jaar leeg staat, al heeft die woning misschien het grotere dakvlak. Dat is geen reden om van geïntegreerde opwekking af te zien, wel een reden om per gebouw te kijken voordat er iets wordt besteld.
Of dat allemaal loont, hangt verder af van wat er sowieso met het dak gebeurt. Bij nieuwbouw of bij een dak dat toch aan vervanging toe is, betaal je één keer voor de bedekking en de opwekking samen, en dat is een andere afweging dan wanneer een bestaand dak nog jaren meekan en er alleen panelen bovenop zouden komen. Wanneer dat laatste voor een park de betere keuze is, staat toegelicht op de pagina over wanneer gewone panelen op een bestaand dak beter passen dan een geïntegreerd felsdak.
Cijfers over wat een specifiek park zou opwekken of terugverdienen kunnen we hier niet geven: dat verschilt per dakvlak, per gebouw en per aansluiting, en wordt pas concreet als we het op tekening naast het verbruik van dat park leggen. Voor een park met meerdere gebouwtypes en een uitgesproken seizoen is dat geen overbodige stap maar de kern van de zaak.