Klikzink
Een omvormer maakt van de gelijkstroom die de cellen leveren de wisselstroom die in huis gebruikt kan worden. Dat ding moet ergens hangen: droog, koel, met voldoende ventilatie eromheen en met een kabel naar het dakvlak en een kabel naar de meterkast. Bij een rijtjeshuis is die plek meestal geen vraag. Eén dakvlak, één kant van de nok, de meterkast op de begane grond eronder of ernaast, klaar. Bij een vrijstaande woning ligt dat anders, en wel om een reden die met de vorm van het huis zelf te maken heeft.
Een vrijstaande woning heeft vaker een groter dakvlak dan een rijtjeshuis, en heeft vaak ook meerdere dakvlakken die niet allemaal dezelfde kant op liggen. Een zadeldak met een oost- en een westkant, een schilddak met vier vlakken, een aanbouw met een eigen lager dakvlak op het zuiden: dat soort combinaties komt bij vrijstaande huizen veel vaker voor dan bij een blok woningen naast elkaar. Elk vlak heeft zijn eigen oriëntatie, zijn eigen lengte kabelroute naar binnen, en dus zijn eigen aandeel in de vraag waar je de omvormer zet en welk vlak je wel of niet van cellen voorziet.
De gelijkstroomkabel van het dakvlak naar de omvormer heeft een praktische maximale lengte. Hoe langer die kabel, hoe meer er onderweg verloren gaat en hoe duurder de kabel zelf wordt, want bij grotere afstanden is vaak een dikkere doorsnede nodig. Bij een rijtjeshuis is die afstand meestal een paar meter, tussen dak en meterkast op de begane grond. Bij een vrijstaande woning met een groot dakvlak, een royale zolder of een bijgebouw kan die afstand zomaar het dubbele of meer zijn.
Dat is precies waarom de plek van de omvormer bij dit type woning een echte overweging is en niet een automatisme. Een omvormer op zolder, dicht bij het dakvlak, houdt de gelijkstroomkabel kort maar vraagt om een droge, koele plek op zolder die niet altijd voorhanden is. Een omvormer in de meterkast of technische ruimte houdt de wisselstroomkabel kort, maar dan moet de gelijkstroomkabel de hele afstand door het huis afleggen. Bij een bungalow met de meterkast aan de andere kant van het huis dan het dakvlak met de meeste cellen kan dat een aanzienlijke kabellengte zijn. Wij kijken daarom per situatie naar de tekening van het huis: waar ligt het dakvlak, waar ligt de meterkast, en welke route is voor de kabel het kortst en het praktisch meest haalbare.
Bij een woning met meerdere dakvlakken op verschillende oriëntaties komt er een tweede vraag bovenop de eerste: doe je alle vlakken, of een deel ervan, en hoe verhoudt dat zich tot het aantal omvormers.
Een dakvlak op het oosten wekt op een ander moment van de dag stroom op dan een dakvlak op het westen. Sommige omvormers kunnen met meerdere zogeheten strings werken, waarbij elke string zijn eigen oriëntatie mag hebben, zodat één omvormer beide dakvlakken kan bedienen. Bij andere situaties is het praktischer om voor elk dakvlak, of voor een combinatie van vlakken met een vergelijkbare oriëntatie, een eigen omvormer te plaatsen. Dat laatste betekent meer kabelroutes door het huis, maar ook dat een dakvlak op het noorden, dat toch weinig oplevert, gewoon buiten de opwekking gehouden kan worden zonder dat dit invloed heeft op de rest.
De vraag welk vlak je wel doet en welk niet is bij een vrijstaande woning dus niet alleen een vraag over hoeveel zon een vlak vangt. Het is ook een vraag over hoe ver dat vlak van de meterkast of de gekozen omvormerplek af ligt, en of het de moeite waard is om daar een aparte kabelroute voor aan te leggen. Een klein noordvlak dat toevallig dicht bij de meterkast ligt kan in de praktijk soms interessanter zijn om mee te nemen dan een groot zuidvlak aan de andere kant van het huis, puur omdat de aansluiting eenvoudiger is. Andersom kan een lastig bereikbaar vlak met veel zon toch de moeite waard zijn als de meeropbrengst de extra kabellengte rechtvaardigt. Dat soort afwegingen maken we op tekening, per gebouw, en niet met een algemene regel die voor elk huis hetzelfde uitpakt.
De omvormer hoeft niet binnen in de woning te hangen. Bij vrijstaande huizen met een garage, berging of bijgebouw dat dicht bij het dak ligt, kan een omvormer daar een logische plek krijgen, mits het droog is en de temperatuur binnen de perken blijft. Ook een plek aan een buitengevel, in een geventileerde ombouw, komt voor, al vraagt dat om aandacht voor weersinvloeden die een binnenopstelling niet heeft.
Wat de plek van de omvormer nooit is, is een vraag die los staat van hoe het dak zelf is opgebouwd. Bij dit dak zit de opwekking in de felsbaan; er is geen los paneel dat je ergens anders zou kunnen neerleggen. De kabel die van het dakvlak komt, is dezelfde kabel die ook bij een dak met opgelegde panelen naar de omvormer zou lopen. Het verschil met een dak met panelen op beugels zit dus niet in de omvormer zelf, maar in hoe de kabel het dakvlak binnenkomt; dat is voor een ander deel van deze site.
Het zou gemakkelijker zijn om hier één plek te noemen waar de omvormer altijd komt te hangen. Dat zou alleen niet waar zijn. Een vrijstaande woning uit de jaren zeventig met een enkelvoudige kap en de meterkast direct onder de trap vraagt om een andere oplossing dan een nieuwbouwvilla met een schilddak op vier oriëntaties en een technische ruimte in de kelder. Het aantal dakvlakken, de afstand tussen dak en meterkast, de aanwezigheid van een zolder of bijgebouw en de gewenste verdeling van de opwekking over de vlakken bepalen samen waar de omvormer het beste past en hoeveel omvormers er nodig zijn.
Daarom rekenen wij dit uit op tekening. Aan de hand van de plattegrond en de dakvlakken van het specifieke huis bepalen we de kortste en meest praktische kabelroute, kijken we of één omvormer met meerdere strings voldoet of dat meerdere omvormers logischer zijn, en wegen we per dakvlak af of het aansluiten ervan de moeite waard is gezien de afstand en de oriëntatie. Dat is geen sluitpost achteraf maar onderdeel van het ontwerp, en het kost niets om dat vooraf samen door te nemen.