Klikzink
Een stalen dakvlak dat stroom opwekt, is een elektrisch geleidend oppervlak dat je bewust aardt. Dat gebeurt niet ergens los op het dak, maar via de banen zelf en de goot, ladder of hemelwaterafvoer die daarop aansluit. Bij de felsbaan met geïntegreerde cellen loopt de aarding mee met de baan: de klemmen onder de fels die de baan vasthouden, zijn tegelijk het punt waar de aardverbinding wordt gemaakt. Er komt geen apart gat, geen extra doorvoer, geen tweede systeem naast het dak. De aarding is onderdeel van hetzelfde bouwdeel dat ook de stroom levert.
Bij panelen die op een pannendak of een ander bestaand dakvlak worden gelegd, ligt dat anders. Daar staat een frame van aluminium of staal los boven het dakvlak, bevestigd met beugels die door de dakbedekking heen gaan of daarop worden vastgeklemd. Elk paneel, elke rail en elk frame moet los geaard worden met een eigen aardklem en aardkabel, die vervolgens allemaal samenkomen bij de omvormer of bij een aardrail. Hoe meer panelen, hoe meer verbindingen, hoe meer punten waar een slechte klem of een loszittende kabel voor een probleem kan zorgen. Bij een dakvlak van stalen banen met cellen erin is dat aantal punten veel kleiner, omdat het dak zelf al één doorlopend geleidend vlak is dat via een beperkt aantal punten wordt aangesloten.
Bij een zorginstelling is dit niet alleen een technische kwestie maar ook een praktische. Een verpleeghuis of ziekenhuis heeft een gebouw dat vrijwel nooit helemaal buiten gebruik kan. Er liggen mensen, er draait apparatuur, er is altijd een afdeling die stroom en verlichting nodig heeft. Dat betekent dat de aarding niet in één keer wordt aangesloten op een moment dat het net zo uitkomt voor de aannemer, maar in een volgorde die past bij wat er in het gebouw gebeurt.
Bij een dak boven een vleugel die op dat moment leeg staat, bijvoorbeeld omdat een afdeling is verhuisd naar een andere vleugel voor een verbouwing, kan de aarding in één werkgang worden afgerond terwijl er niemand onder werkt. Bij een dak boven een vleugel die in gebruik blijft, wordt het werk in stukken verdeeld: een deel van de banen wordt gelegd en geaard, aangesloten en gecontroleerd, voordat het volgende deel begint. Dat kost meer tijd dan één doorlopende klus, maar het voorkomt dat er op enig moment een dakvlak ligt dat wel al stroom opwekt maar nog niet volledig is aangesloten en gecontroleerd.
De reden dat dit precies zo moet, ligt bij wat er misgaat als het niet klopt. Een slecht geaard geleidend dakvlak kan bij een blikseminslag of een fout in de installatie spanning gaan voeren die niet weg kan. Bij een woonhuis is dat al ongewenst; bij een gebouw met bedlegerige patiënten, medische apparatuur en een installatie die dag en nacht draait, is het geen risico dat je even laat lopen tot de volgende onderhoudsronde. Daarom wordt bij dit type gebouw de aarding niet als laatste stap behandeld, maar als eerste stap waarvan de rest van de planning afhangt.
Dat sluit aan op hoe de rest van de installatie wordt opgebouwd; wij leggen dat verder uit bij hoe de stroom naar binnen komt bij een zorginstelling, waar dezelfde volgorde van werken terugkomt: eerst het gedeelte dat de veiligheid raakt, dan het gedeelte dat de opbrengst levert.
Omdat de banen met cellen en de banen zonder cellen op dezelfde manier bevestigd worden, met dezelfde klemmen onder dezelfde fels, is er geen apart aardingssysteem voor het deel van het dak dat stroom opwekt en een ander systeem voor het deel dat dat niet doet. Het hele dakvlak is één geleidend geheel dat op dezelfde manier is aangesloten, van de nok tot de goot. Voor een installateur die het werk oplevert, betekent dat één aardingsplan voor het hele dak in plaats van een plan voor de panelen en een apart plan voor de dakbedekking daaromheen, zoals bij een systeem op beugels wel nodig is.
Bij een bestaand pannendak met paneelvelden erop, is de aarding van de panelen namelijk een toevoeging aan een dak dat al zijn eigen afwatering en bevestiging had. De pannen zelf voeren geen stroom en hoeven niet geaard te worden; alleen het frame en de bekabeling van de panelen wel. Dat is een kleiner, geïsoleerd systeem boven op een dak dat er niets van merkt. Bij een stalen felsbaan met cellen erin is het dakvlak zelf het geleidende oppervlak, dus wordt het dakvlak zelf geaard, van baan tot baan, over de volledige lengte.
Een tweede punt dat bij dit gebouwtype meespeelt, is de aanwezigheid van andere installaties op en aan het dak: luchtbehandeling, noodstroomvoorzieningen, antennes voor alarmering, soms een heli-landingsplek op een aangrenzend platte-dakdeel. Al deze installaties hebben hun eigen aardingseisen, en die moeten op elkaar aansluiten in plaats van los naast elkaar te bestaan. Bij een verbouwing waarbij het dak wordt vervangen, is dit het moment om dat in kaart te brengen: welke bestaande aardverbindingen blijven, welke worden vervangen, en hoe het nieuwe dakvlak daarop aansluit. Dat gebeurt op tekening, samen met de installateur die de rest van het gebouw beheert, voordat er één baan wordt gelegd.
Dit is ook waarom dit type dak vooral loont wanneer het dak van een zorginstelling toch al vervangen wordt, bijvoorbeeld bij renovatie van een verpleegafdeling of bij nieuwbouw van een vleugel. Dan wordt de aarding in één keer goed ingepast in het bouwproces, in plaats van achteraf toegevoegd aan een dak dat al af is. Bij een dak dat prima in orde is en nog jaren meekan, is het logischer om te kijken naar panelen op beugels, waarbij de aarding als apart, kleiner systeem wordt toegevoegd zonder dat het dak zelf wordt aangeraakt.
Voor een architect of technisch beheerder van een zorggebouw betekent dit dat de aarding niet iets is dat pas bij de oplevering wordt gecontroleerd, maar iets dat al in het bestek staat: welke banen wanneer worden gelegd, wanneer de aardverbinding per sectie wordt getest, en welke vleugel van het gebouw op welk moment zonder onderbreking in gebruik blijft. Dat is precies waarom wij dit per gebouw en per bouwfase doorrekenen op tekening: hoeveel secties, welke volgorde, en welke aansluiting op de bestaande aarding van het gebouw nodig is. Een vast getal daarvoor bestaat niet, omdat elk zorggebouw een andere indeling, een andere bouwfasering en een andere bestaande installatie heeft.