Klikzink
Een aanbouw heeft meestal het kleinste en laagste dakvlak van het hele gebouw, en juist dat kleine vlak staat het vaakst in de schaduw van iets anders. De schoorsteen van het hoofdhuis, een boom in de tuin, de eigen dakkapel een verdieping hoger: op een aanbouw is er bijna altijd wel iets dat een schaduw over het dak legt. Die schaduw loopt mee met de dag, en dat meelopen is precies waar je rekening mee moet houden voordat je het dakvlak indeelt.
Bij een groot dakvlak valt een schaduwstreep van een schoorsteen in het niet. Bij een aanbouw van vier op drie meter is diezelfde schoorsteen relatief een veel groter deel van het beschikbare oppervlak. 's Ochtends valt de schaduw misschien over de linkerkant van het dak, aan het einde van de middag over de rechterkant. Een boom aan de erfgrens werpt in de winter, als de zon laag staat, een lange schaduw die het hele vlak kan raken, terwijl die in de zomer met de zon hoger amper iets bedekt. Wie het dakvlak van een aanbouw indeelt, deelt dus in feite een vlak in dat op verschillende momenten van de dag en het jaar een ander deel verduisterd heeft.
Een felsbaan met zonnecellen erin werkt het beste als het hele vlak min of meer gelijk belicht is. Valt een schoorsteenschaduw precies over een paar banen, dan werken die banen op dat moment minder hard dan de banen die in de zon liggen. Dat is op zich geen probleem voor het dak: elke baan doet gewoon wat het licht op dat moment toelaat, en de rest van het vlak werkt door. Het is wel iets om vooraf te weten, want het bepaalt hoe je het vlak het beste indeelt.
Bij een aanbouw met een vaste, voorspelbare schaduw, bijvoorbeeld van een schoorsteen die het hele jaar op dezelfde plek staat, kun je de indeling van de banen daarop afstemmen. De banen die structureel in de schaduw liggen, leg je gewoon mee in het vlak; ze horen bij het dak en zien er hetzelfde uit als de rest. Ze leveren op dat moment van de dag alleen minder op dan de banen die vrij liggen. Bij een schaduw die per seizoen verschuift, zoals die van een boom zonder blad in de winter en vol blad in de zomer, is dat vooraf minder scherp te voorspellen, maar het uitgangspunt blijft hetzelfde: het dakvlak blijft één geheel, ook als een deel ervan op sommige momenten minder licht krijgt.
Bij een klein, laag dakvlak tegen een bestaand huis, zoals een aanbouw meestal is, spelen twee dingen samen: de schaduw van iets dat naast of boven het dak staat, en de aansluiting op het hoofdgebouw. Het dakvlak van de aanbouw grenst ergens aan de gevel van het hoofdhuis, en vaak ligt daar ook een dakkapel of een schoorsteen die precies op de grens tussen aanbouw en hoofddak schaduw werpt. Die overgang is een plek waar je toch al goed moet opletten op de aansluiting van de felsbanen, en het is dezelfde plek waar de schaduw meestal het langst blijft liggen, omdat de zon lager bij de gevel minder grip heeft.
Dat betekent niet dat het dakvlak van de aanbouw ongeschikt is. Het betekent dat we op tekening kijken waar de schaduwlijnen over het jaar heen vallen, en de indeling van de banen daar zo veel mogelijk op afstemmen. Een baan die in de winter een paar uur in de schaduw van de schoorsteen ligt, ligt er in de zomer misschien niet meer in, en de opbrengst van die specifieke baan wisselt dus mee met het seizoen. Voor het aanzicht van het dak maakt dat niets uit: de banen liggen er hetzelfde bij, mat en donker, in dezelfde lijn.
Bij een aanbouw ligt de meterkast vaak al vast, meestal in de aanbouw zelf of net binnen de gevel van het hoofdhuis. Dat is meestal een prettig gegeven, want de kabelweg van het dakvlak naar die meterkast is kort. Waar het aandacht vraagt, is de overgang van het dakvlak van de aanbouw naar het dakvlak van het hoofdhuis. Die twee vlakken lopen zelden op precies dezelfde hoogte of onder precies dezelfde helling door, en op die overgang zit vaak ook een stuk gevel, een dakgoot of een aansluitdetail dat al schaduw geeft voordat er van een boom of schoorsteen sprake is.
Bij het uitwerken van de tekening kijken we naar die twee dingen samen: waar de vaste schaduw van schoorsteen, boom of dakkapel valt, en hoe de banen het beste kunnen aansluiten op de bestaande situatie bij het hoofddak. Soms betekent dat dat de rand van het dakvlak, dicht bij de overgang, minder geschikt is voor de banen met de meeste opbrengst, en dat je die plek juist gebruikt voor de banen zonder cellen. Het vlak blijft daardoor gewoon één geheel, met de cellen op de plek waar ze het meest opleveren en de rest van het dak eromheen.
Geen twee aanbouwen liggen hetzelfde. De ene staat op het zuiden met een enkele schoorsteen die 's ochtends kort schaduw geeft, de andere staat op het noordoosten met een grote boom die het grootste deel van de winter over het hele vlak hangt. Wat een schaduw op het ene dak doet, zegt dus weinig over wat hij op het andere dak doet. Daarom rekenen we dat niet uit op basis van een algemene regel, maar op tekening: met de positie van de aanbouw, de richting van het dakvlak, en de plek en hoogte van wat er schaduw geeft.
Wat we vooraf niet doen, is een getal noemen voor wat een schaduwrijke aanbouw aan opbrengst kost. Dat verschilt te veel per dak, per seizoen en per uur van de dag om in het algemeen te zeggen. Wat we wel doen, is op tekening laten zien hoe het dakvlak het beste ingedeeld kan worden gegeven de schaduw die er nu eenmaal op valt, zodat je vooraf weet wat je krijgt en niet achteraf voor een verrassing komt te staan.
Of het loont om dit dakvlak met zonnecellen uit te voeren, hangt niet alleen af van de schaduw maar ook van of het dak toch al aan vervanging toe is. Op een aanbouw die sowieso een nieuw dak krijgt, of die nieuw gebouwd wordt, betaal je in één keer voor het dak en de opwekking samen, en dan is de vraag naar de schaduw vooral een vraag over hoe je het vlak het slimst indeelt. Op een dak dat verder nog jaren meekan, is een gewoon paneel op beugels vaak de eenvoudigere keuze, juist omdat je dan niet meteen het hele dakvlak vervangt om er stroom uit te halen. Ook dat rekenen we liever op tekening uit dan dat we het in het algemeen beantwoorden.