Klikzink
Een kantoorpand heeft bijna altijd iets op het dak staan dat er niet hoeft te staan voor de zonnecellen zelf. Een klimaatinstallatie, een liftschacht die boven het dakvlak uitsteekt, een dakkapel voor een trappenhuis, soms een schoorsteen van een oudere vleugel die is blijven staan bij een verbouwing. Al die objecten werpen schaduw, en die schaduw staat niet stil. 's Ochtends valt hij ergens anders dan om twaalf uur, en aan het einde van de middag weer ergens anders. Bij een dak dat de stroom zelf opwekt is dat geen esthetische kwestie maar een praktische. De vraag is niet of er schaduw is, die is er bijna altijd wel een paar uur per dag op een deel van het dak. De vraag is hoe het dakvlak daarop reageert.
Bij een felsbaan met zonnecellen erin is elke baan een aparte strook, 475 millimeter breed, die van goot tot nok loopt. Als de schaduw van een schoorsteen over drie banen valt en de rest van het dakvlak in de zon ligt, doet dat iets anders met de opbrengst dan wanneer diezelfde schaduw dwars over alle banen heen zou lopen. Hoe dat precies uitwerkt, hangt af van hoe de banen onderling zijn geschakeld en hoeveel vermogen er per string omgaat. Dat is geen vraag die je in het algemeen beantwoordt met een vuistregel; dat is een vraag die je beantwoordt door de plattegrond van het dak erbij te pakken en te kijken waar de obstakels staan, hoe hoog ze zijn en waar de zon in de loop van het jaar staat. Daarom rekenen wij dat uit op tekening, per dakvlak, en niet met een algemene formule die net zo goed voor een heel ander gebouw zou kunnen gelden.
Een kantoorpand heeft een verbruikspatroon dat sterk aan kantoortijden hangt. Overdag draaien de computers, de koeling, de verlichting in de vergaderzalen en de liften, en dat is precies de periode waarin een dak met zonnecellen ook produceert. 's Avonds en in het weekend staat het pand grotendeels leeg en is het verbruik laag. Dat betekent dat schaduw op het middaguur, wanneer het verbruik piekt, zwaarder telt dan schaduw vroeg in de ochtend wanneer het pand nog leeg is. Een dakkapel die vooral in de vroege ochtend schaduw geeft en tegen het middaguur allang niet meer in de weg staat, is voor een kantoorpand een ander verhaal dan een klimaatinstallatie die precies rond het middaguur zijn schaduw over het dakvlak legt.
Daar komt bij dat een kantoordak vaak vol staat. Airco-units, ventilatiekasten, kabelgoten, soms een hekwerk voor onderhoudspersoneel: dat hoort er allemaal bij en dat verdwijnt niet omdat er zonnecellen in het dak liggen. Bij het uitwerken van een dakvlak kijken we daarom niet alleen naar waar de installaties nu staan, maar ook naar waar ze logisch geplaatst kunnen worden zodat ze zo weinig mogelijk schaduw op het actieve deel van het dak werpen. Dat is een gesprek dat je het beste voert voordat het dak wordt uitgevoerd, niet erna. Bij nieuwbouw of een dakvervanging is er ruimte om de plaatsing van installaties en de indeling van de banen op elkaar af te stemmen; bij een bestaand dak waar de installaties al vaststaan, is die ruimte er niet meer en moet het ontwerp zich naar de bestaande situatie voegen.
Bij veel kantoorpanden komen klanten, bezoekers of gasten over de vloer, en het gebouw moet er dus verzorgd uitzien, ook van boven gezien vanaf een naastgelegen verdieping of een aanpalend gebouw. Een gewoon paneel op beugels tekent zich af als een blok boven het dakvlak, met een eigen schaduwrand die het paneel zelf weer op de banen ernaast werpt. Bij een felsbaan met de cellen in het vlak zelf speelt dat niet: de cellen liggen op dezelfde hoogte en in dezelfde lijn als de banen zonder cellen, in een matte donkere kleur die niet afwijkt van de rest van het dak. Er is dus geen paneel dat zelf schaduw gooit op het dak eromheen. De schaduw die er wél is, komt van de schoorsteen, de dakkapel of de boom naast het gebouw, niet van het opwekkende deel van het dak zelf.
Dat is voor een kantoorpand relevant omdat een dak dat er rommelig uitziet met her en der een schaduwvlek op een paneel, ook rommelig oogt vanuit het perspectief van iemand die over de vloer komt en toevallig omhoog kijkt. Een dakvlak dat als één geheel doorloopt, zonder een tweede laag boven het dak, houdt die rust ook als er ergens een schaduw over valt. De schaduw is dan gewoon een donkerder plek op een verder gelijk vlak, niet een storing in een constructie die er al schots en scheef bij lag.
Stel een kantoorpand met een zadeldak, aan de zuidzijde een liftschacht die een meter boven het dakvlak uitsteekt en aan de noordzijde een rij dakkapellen voor lichtinval in de bovenste kantoren. De liftschacht werpt 's ochtends een lange schaduw over het onderste deel van het zuiddakvlak, die tegen het middaguur inkort tot een smalle streep en 's middags weer verlengt naar de andere kant. Op dat zuiddakvlak liggen de banen van goot tot nok, dus de schaduw van de liftschacht raakt in de loop van de dag steeds andere banen. Als de banen zo geschakeld zijn dat een groep die in de ochtend in de schaduw ligt niet dezelfde groep is die 's middags in de schaduw ligt, blijft het effect beperkt. Dat is precies het soort keuze die op tekening wordt gemaakt: niet achteraf repareren, maar vooraf de indeling zo leggen dat een vast obstakel niet steeds dezelfde banen blijft raken.
Bij het noorddakvlak met de dakkapellen ligt het net anders. Dakkapellen staan meestal vast en hun schaduw verandert per seizoen meer dan per uur; in de winter, als de zon lager staat, valt de schaduw verder over het dak dan in de zomer. Voor een kantoorpand dat vooral op werkdagen in het voor- en najaar veel stroom kan gebruiken voor verlichting en verwarming, is die winterschaduw een reëel gegeven om in het ontwerp mee te nemen, niet iets om te negeren omdat het in de zomer geen probleem is.
Bomen zijn een ander verhaal, want die groeien. Een boom die bij de bouw van het pand nog klein was en nauwelijks schaduw gaf, kan na een aantal jaar een fors deel van het dak beschaduwen. Dat is niet iets waar het dak zelf iets aan doet, maar het is wel iets om in het achterhoofd te houden bij de keuze van de indeling: als bekend is dat er een boom naast het gebouw staat die nog moet groeien, is het verstandig om daar bij het ontwerp van de bekabeling en de schakeling van de banen al rekening mee te houden, in plaats van pas te reageren als de schaduw een paar jaar later daadwerkelijk hinder gaat geven.
Geen twee kantoorpanden liggen er hetzelfde bij. De hoogte van de installaties, de richting van het dakvlak, de plek van de buren, de bomen in de straat, het verbruikspatroon van de gebruikers: dat verschilt per gebouw en soms per dakvlak van hetzelfde gebouw. Daarom is er geen algemeen getal te geven voor wat schaduw kost aan opbrengst op een kantoorpand, en zou het onzin zijn om dat wel te doen. Wat wij wel doen is de tekening van het dak erbij pakken, de vaste obstakels inventariseren, de zonnestand over het jaar erover leggen en op basis daarvan een indeling van de banen voorstellen die de schaduw zo veel mogelijk opvangt zonder dat het hele dakvlak daaronder lijdt. Dat gebeurt voordat er iets wordt geproduceerd, en het kost niets om die tekening samen door te nemen.