Klikzink
Een aanbouw heeft meestal een klein dakvlak, laag tegen de gevel van het bestaande huis, met een overgang naar een goot of naar het hoofddak erboven. Dat kleine vlak is precies waar de vraag om de kabel scherp wordt: er moet stroom van het dak naar de meterkast, en die kabel moet ergens door het dakvlak of langs de rand naar binnen. Bij elk dak is dat punt de plek waar de kans op een lek het grootst is, gewoon omdat daar een gat in het vlak zit dat er van nature niet hoort te zijn.
Bij een paneel dat op beugels boven het dak hangt, loopt de kabel eerst onder het paneel langs naar de rand van het dakvlak, en dan pas naar binnen. Er is dus een lange route over het dak nodig, met clips en bevestigingen die zelf ook weer aan het dakvlak vastzitten. Bij de geïntegreerde felsbaan ligt dat anders. De cellen zitten in de baan zelf, en de aansluiting tussen de banen onderling loopt onder de fels, in de haak van 35 mm waar de klemmen ook de baan aan het dak bevestigen. Er is geen los kabeltracé over het dakvlak nodig om de stroom van baan naar baan te krijgen. Alleen op de plek waar de laatste baan het dak verlaat, moet de kabel er echt doorheen of eronderlangs naar binnen.
Bij een aanbouw is die plek meestal de gootzijde of de zijde die tegen de gevel van het hoofdgebouw aan ligt. Dat is bewust: aan de gootzijde is het dakvlak toch al onderbroken door de aansluiting op de regenafvoer, en tegen de gevel aan is er vaak al een overgangsdetail met loodslabben of een kraal. Een doorvoer die daar meelift in een detail dat er al is, is eenvoudiger uit te voeren dan een doorvoer midden in een vlak dat verder helemaal gesloten is. Op tekening bekijken we per dak welke zijde het meest voor de hand ligt, want dat verschilt per aanbouw. Een plat aangebouwde serre met een flauwe hoek tegen de achtergevel geeft een ander detail dan een aanbouw met een eigen nok die haaks op het hoofddak staat.
De doorvoer zelf is een mof of een pot die om de kabel sluit en die op zijn beurt weer onder de fels of onder een overgangsprofiel verdwijnt. Het principe is hetzelfde als bij de fels die de banen onderling verbindt: het water dat over het dakvlak naar de goot loopt, mag nooit bij de kabel of bij de aansluiting kunnen komen. Bij de geïntegreerde baan is dat gemakkelijker te garanderen dan bij een paneel op beugels, want er is maar één doorvoer per dakvlak nodig, in plaats van een doorvoer per string kabels die van onder de panelen komt. Minder doorvoeren betekent minder plekken waar het mis kan gaan, en bij een klein dakvlak zoals een aanbouw is dat verschil relatief groot: één doorvoer op een paar vierkante meter dak is iets anders dan één doorvoer op een dak van honderd vierkante meter.
Een praktijkvoorbeeld. Bij een aanbouw met een lengte van vier meter en een breedte van drie meter, met het dakvlak hellend tegen de achtergevel van het huis aan, ligt de kabel vanaf de laatste baan meestal via de gootrand naar binnen, om vervolgens binnendoor, via de spouw of via een sparing die de aannemer toch al maakt voor andere leidingen, naar de bestaande meterkast te lopen. Die meterkast hangt bij een aanbouw vaak al dicht bij de nieuwe ruimte, in de garage of in een bijkeuken die aan de aanbouw grenst. Dat is gunstig: de kabelroute binnendoor is kort, en er is geen nieuwe leidinggoot nodig die zichtbaar langs het plafond van de aanbouw loopt.
Bij een aanbouw is er bijna altijd een naad met het hoofddak: de plek waar het lage vlak van de aanbouw tegen de gevel of tegen het bestaande dakvlak aansluit. Die naad is om twee redenen belangrijk. Ten eerste is het de plek waar regenwater van het hoofddak eventueel over het vlak van de aanbouw naar de goot stroomt, dus de aansluiting moet dat kunnen verwerken zonder dat het bij de kabel komt. Ten tweede is het vaak de kortste weg naar binnen, omdat de gevel van het hoofdgebouw daar toch al een doorvoer heeft voor andere leidingen, of omdat de spouw van die gevel bereikbaar is vanaf de aanbouw.
In de praktijk betekent dat: de aannemer bepaalt eerst waar de bestaande meterkast zit en welke wand of spouw het kortst bij het dakvlak van de aanbouw ligt. Vervolgens bepalen wij op tekening waar de laatste baan het beste kan aansluiten, zodat de kabel een zo kort en zo droog mogelijke route heeft van dak naar meterkast. Bij een aanbouw die aan de zijkant van het huis staat, met de meterkast in de hal aan de andere kant van het huis, is die route langer dan bij een aanbouw die direct tegen de bijkeuken met de meterkast aan grenst. Dat soort verschillen bepalen we niet in algemene termen, maar aan de hand van de tekening van dat ene gebouw.
Op een groot dakvlak, zoals een schuurdak of een woonhuis met een fors dakoppervlak, valt één doorvoer minder op, en is er meer ruimte om de kabelroute te plannen zonder dat die door een zichtbaar deel van het interieur moet. Bij een aanbouw is de ruimte kleiner, zowel op het dak als binnen. Een plafond van een aanbouw is vaak lager en zichtbaarder vanuit de tuin of vanuit de woonkamer ernaast, dus een lelijke leidinggoot langs het plafond is sneller een storend detail dan op een zolder van een groot huis. Dat is precies waarom de route van de kabel bij een aanbouw vaker een aandachtspunt is dat we vooraf doorspreken met de aannemer, in plaats van iets dat pas op de bouwplaats wordt opgelost.
Dit verhaal gaat niet over wat er gebeurt als er water bij een baan komt, en niet over wat er gebeurt als één baan uitvalt: dat staat op andere pagina's van deze site. Het gaat ook niet over waar de omvormer een plek krijgt, dat is een aparte vraag met een eigen antwoord. Hier gaat het puur om het punt waar de stroom het dakvlak verlaat en de route die hij aflegt tot aan de meterkast, en om het aantal doorvoeren dat daarvoor nodig is.
Hoeveel meter kabel er nodig is, hoeveel arbeid de doorvoer kost, en of de bestaande meterkast zonder aanpassing volstaat, verschilt per aanbouw en per bestaande installatie. Dat rekenen we uit op tekening, niet in algemene termen op deze pagina. Stuur de tekening van de aanbouw en de plek van de meterkast, dan bepalen we samen waar de kabel het dak verlaat en welke route naar binnen het kortst en het droogst is.