Klikzink
Een schilddak heeft geen platte vlakken met dezelfde lengte van goot tot nok. Het heeft vier schuine vlakken die tegen elkaar aan hoekkepers uitkomen, en die kepers snijden de banen af op een lengte die per baan verschilt. De baan naast de hoek is korter dan de baan in het midden van het vlak. Dat is de eerste reden waarom de vraag wat er gebeurt als één baan stuk is op een schilddak een ander antwoord heeft dan op een zadeldak of een lessenaarsdak met rechte, gelijke banen.
Elke felsbaan met geïntegreerde cellen werkt als een eigen stroken opwekking binnen het dakvlak. Raakt één baan beschadigd, door bijvoorbeeld een vallende tak, hagel, of werkzaamheden op het dak, dan valt de opwekking van die ene baan uit. De banen ernaast blijven werken zoals ze deden. Op een schilddak met hoekkepers ligt er behalve volle banen ook een reeks kortere, driehoekige stroken tegen de kepers aan. Een beschadigde baan in dat smalle stuk langs de keper levert altijd al minder op dan een volle baan in het midden van het vlak, gewoon omdat het oppervlak kleiner is. Het verlies van die ene baan is dus verhoudingsgewijs kleiner dan het verlies van een volle baan op een zadeldak. Andersom geldt: raakt een baan in het brede middendeel van het vlak beschadigd, dan is het verlies groter dan bij een korte baan tegen de hoek.
De waterdichtheid van een schilddak hangt niet af van de opwekking maar van de fels en de aansluiting op de hoekkepers zelf. De haaks opstaande fels van 35 mm is dezelfde constructie of er cellen in de baan zitten of niet, en die fels blijft de banen er hoger dan het dakvlak met elkaar verbinden. Een beschadigde cel in het midden van een baan tast die fels niet aan. Wat wel aandacht vraagt is de plek waar de schade zit ten opzichte van de keper. Vlak tegen een hoekkeper aan liggen de aansluitdetails al krapper dan midden op een recht vlak, en een beschadiging die dicht bij die aansluiting zit, vraagt om iemand die precies weet hoe die keper is opgebouwd voordat er iets wordt vervangen. Op de rest van het vlak is de situatie hetzelfde als op een zadeldak: het dak blijft dicht, er wordt niets losgemaakt bovenop een intact dakvlak, en er is geen tweede laag die eerst weg moet.
Omdat de banen op een schilddak per vlak en per positie een andere lengte hebben, is er bij dit type dak meer om rekening mee te houden dan bij een recht vlak. Een monteur die een baan vervangt, moet weten op welk van de vier vlakken de beschadigde baan ligt, hoe die baan is afgekort ten opzichte van de hoekkeper, en welke klemmen er onder de fels zitten om die specifieke lengte vast te zetten. De klemverbinding onder de fels is voor elke baan hetzelfde principe: er gaat geen schroef door het dakvlak, de baan wordt los- en vastgeklikt zonder gaten te maken. Maar de maatvoering van een korte baan tegen de keper is niet de maatvoering van een volle baan verderop, en dat is precies waarom een leverancier die op tekening werkt en op maat levert, hier meer waard is dan op een dak met identieke banen van gelijke lengte. Bij Klikzink wordt zo'n vervangbaan op de eigen walsmachines gemaakt op de maat die bij die specifieke positie op dat specifieke vlak hoort. Wachten op een baan die "wel ongeveer past" is bij een schilddak minder vanzelfsprekend dan bij een zadeldak.
De bekabeling loopt bij een schilddak per vlak naar binnen, en vier vlakken betekent in de praktijk vaak vier eigen strengen die samenkomen voordat ze het dak verlaten. Bij vervanging van een baan wordt alleen die ene aansluiting los- en weer vastgemaakt; de andere drie vlakken merken er niets van. Dat is een verschil met een systeem waarin alle banen van het hele dak in serie op één lange kabel zitten: dan kan een storing op het ene vlak invloed hebben op de meting van een ander vlak. Vraag bij een schilddak dus altijd hoe de vlakken elektrisch van elkaar gescheiden zijn, want dat bepaalt of een storing zich netjes beperkt tot het vlak waar de schade zit.
Op een zadeldak of lessenaarsdak met twee vlakken en rechte banen van goot tot nok is elke baan qua lengte en positie hetzelfde als de baan ernaast. Op een schilddak niet. Dat betekent dat het gewicht van één beschadigde baan in de totale opwekking van het dak sterk afhangt van waar die baan ligt: een korte baan tegen een hoekkeper weegt minder dan een volle baan in het midden van het grootste vlak. Bij een aannemer die vier vlakken tegelijk aanlegt, loont het om vooraf te weten hoeveel volle banen er per vlak passen en waar de korte, afgekorte stroken langs de kepers liggen, want dat bepaalt niet alleen hoeveel opwekking er in totaal op het dak komt maar ook wat de impact is als er later ergens schade ontstaat. Dat is iets om op tekening te bespreken, niet iets om achteraf uit te zoeken.
Een schilddak met veel korte, driehoekige stroken langs de kepers is niet altijd het meest voordelige vlak om vol te leggen met een systeem waarbij de opwekking in de baan zelf zit. Bij een dak met veel hoeken en dus veel afgekorte stukken kan het zijn dat een deel van het vlak simpelweg te versnipperd is om er nog een zinnige hoeveelheid cellen in te krijgen, en dan is een regulier paneel op beugels, geplaatst op het grootste rechte deel van het vlak, praktischer. Dit systeem loont het meest wanneer het dak toch vervangen wordt of nieuw wordt gedekt, zodat er één keer wordt betaald voor het dak en de opwekking samen. Bij een bestaand, nog goed dak is een paneel erop leggen vaak de logischere stap. Wat op welk vlak van een schilddak het beste werkt, hangt af van de exacte hoeken en de maatvoering, en dat rekenen wij uit op tekening.