Klikzink
Een schilddak heeft geen platte einden zoals een zadeldak met een nok, maar vier vlakken die vanaf de hoekkepers naar elkaar toelopen. Dat verandert iets simpels maar belangrijks voor een dak dat zelf stroom maakt: de banen op elk vlak worden korter naarmate ze dichter bij de top komen, en aan weerszijden van elke hoekkeper eindigt een baan op een andere lengte dan de baan ernaast. Waar een zadeldak twee grote, gelijke vlakken heeft die je als twee simpele stroken kunt behandelen, bestaat een schilddak uit vier vlakken die elk hun eigen indeling van volle en aangepaste banen krijgen. Dat is een tekenvraagstuk voordat het een vraagstuk over veiligheid wordt, en het bepaalt mede hoe de bekabeling over het dak loopt en waar de aansluitpunten komen te liggen.
De kern van brandveiligheid bij een dak dat zelf stroom opwekt, verandert door die vorm niet: zolang er licht op valt, staat het vlak onder spanning, op elk van de vier schuine vlakken tegelijk. Een installatie op beugels kun je met een schakelaar bij de omvormer uitzetten, maar de kabels tussen de panelen blijven spanning voeren tot aan de zon zelf. Bij een felsbaan met geïntegreerde cellen zit die spanning in het dakvlak dat de brandweer eventueel moet betreden of openen. Dat is precies waarom er voorzieningen zijn om een vlak snel spanningsloos te maken: een noodschakelaar bij de meterkast of bij de invoer van de kabel, soms per dakvlak uitgevoerd zodat één schuine kant kan worden afgeschakeld zonder de andere drie mee te nemen. Bij een schilddak met vier onafhankelijke vlakken is die keuze om per vlak te schakelen eerder praktisch dan bij een zadeldak met twee vlakken: het scheelt de brandweer een inschatting of ze op het ene of andere dakdeel actief zijn, en het scheelt de aannemer een knip in de bekabeling die anders dwars over een hoekkeper zou moeten lopen.
De hoekkepers zelf zijn de plek waar de aandacht in de praktijk het eerst naartoe gaat. Op een doorsnee schilddak van een vrijstaande woning of een bijgebouw met vier gelijke vlakken lopen de kepers van de nok naar de vier hoeken van de gevel, en de banen die tegen de keper aan liggen worden op maat gezaagd. Bij een gewoon felsdak zonder cellen is dat een kwestie van pasvorm, verder niets bijzonders. Bij een dak met geïntegreerde zonnecellen ligt er ook een kabel bij die aansnijlijn, en die kabel moet net zo goed langs de keper worden weggewerkt als de baan zelf daar wordt afgekort. Dat is te plannen op tekening, en dat is ook precies waarom Klikzink een dakvlak eerst tekent voordat er een plaat wordt gewalst: op een schilddak met vier ongelijke aansnijlijnen is dat plannen belangrijker dan op een enkel plat vlak, omdat een kabel die per ongeluk dwars over een hoekkeper moet, een zwakke plek in de waterdichting oplevert die je liever vermijdt.
Hoe kort de laatste baan op elk vlak wordt, bepaalt ook hoeveel volle, opwekkende banen er per vlak overblijven. Een schilddak met een steil dakschild en een korte nok heeft vaak vier smalle driehoekige vlakken waarop van de rand naar de top toe steeds minder ruimte overblijft voor een volle baan. Op zo'n vlak eindigt een groot deel van de banen als een afgeknotte driehoek zonder cel, simpelweg omdat een cel een vaste maat heeft en een puntdak niet. Dat is geen brandveiligheidskwestie op zich, maar het raakt wel aan de vraag hoeveel van het dakvlak daadwerkelijk spanning voert: hoe kleiner het schild, hoe kleiner het aandeel opwekkende banen ten opzichte van de kale randstroken, en hoe overzichtelijker het is om aan te wijzen welk deel van het dak spanningsloos gemaakt moet worden. Bij een groot, flauw hellend schilddak op een loods is die verhouding andersom: daar liggen de vlakken groot genoeg om overwegend volle banen te leggen, en dan voert een groter deel van elk vlak daadwerkelijk stroom.
Dat verschil met een zadeldak is de reden waarom je dit niet zomaar kunt overnemen van wat elders al is uitgelegd. Bij een zadeldak loopt de aansluitlijn van de banen over de volle lengte van het dak naar één nok, zoals wij uitleggen bij [de aansluiting op de nok](/dakstroom/brandveiligheid/zadeldak), en heb je in de praktijk twee grote vlakken om te overzien. Bij een schilddak zijn het er vier, elk met een eigen kortere nooddoorsnede langs de kepers, en dat betekent dat een installateur of brandweerploeg met vier plattegronden werkt in plaats van twee. Voor de bekabeling naar binnen maakt dat verschil in de praktijk het meest merkbaar: bij een woonhuis met een schilddak lopen er al gauw vier keer een kabelstreng naar het punt waar ze samenkomen, terwijl bij een woonhuis met een eenvoudiger dakvorm die stroken samen kunnen komen zoals beschreven bij [de stroom die naar binnen gaat bij een woonhuis](/dakstroom/woonhuis/stroom-naar-binnen). Op een schilddak is dat bij elkaar brengen van vier stromen een van de dingen die vooraf op tekening worden opgelost, niet iets wat je achteraf oplost met extra doorvoeren.
Voor de brandweer ter plaatse verandert een schilddak vooral het overzicht, niet het principe. Een dakvlak dat spanning voert blijft dat doen zolang er licht op valt, of het nu het enige vlak van een lessenaarsdak is of één van de vier vlakken van een schild. Het voordeel van vier kleinere vlakken is dat een noodschakeling per vlak eenvoudiger aan te wijzen is: als het vuur aan de noordkant van het schild zit, is dat vlak spanningsloos te maken zonder de andere drie te raken, en blijft de rest van het dak gewoon stroom leveren tot het nodig is om ook dat af te schakelen. Dat is een praktisch voordeel dat een schilddak met vier losse vlakken heeft ten opzichte van een dak met één groot ononderbroken vlak: er is vanzelf al een indeling aanwezig waarlangs je de installatie kunt opdelen.
Er is ook een vlak waarop een schilddak het antwoord juist omdraait. Bij een heel klein schild, zoals op een dakkapel of een bijgebouw met een schilddak van een paar vierkante meter per vlak, is de oppervlakte per vlak zo beperkt dat er nauwelijks volle banen met cellen passen tussen de rand en de hoekkepers. Dan is het spanningvoerende deel van het dak zo klein dat een aparte schakeling per vlak nauwelijks meerwaarde heeft, en volstaat vaak één noodschakelaar voor het hele dak. Andersom geldt: op een groot schilddak van een bedrijfshal met vlakken van tientallen vierkante meters is een indeling per vlak juist wel de moeite waard, simpelweg omdat elk vlak op zichzelf al een substantieel deel van de installatie vormt.
Wat een schilddak dus vooral vraagt, is een tekening waarop de vier vlakken, hun kepers en hun kabelroutes in samenhang zijn uitgewerkt, zodat de indeling van volle en afgeknotte banen meteen ook de indeling van de noodschakeling bepaalt. Dat werk wordt gedaan voordat er één plaat gewalst wordt, en het kost niets om dat vooraf op tekening te laten uitzoeken bij Klikzink, Boylestraat 22 in Ede.