Klikzink
Een schilddak heeft geen nokeinde en geen gootlijn die van links naar rechts even lang doorloopt. Vier schuine vlakken komen samen in hoekkepers, en langs die kepers wordt elke baan korter dan de baan ernaast. De eerste baan naast de keper is bijna vol, de volgende een stuk korter, en tegen de top van de driehoek toe blijven er stroken over die nog maar een paar centimeter breed zijn. Dat is precies de reden dat een schilddak een ander verhaal is dan een zadeldak met een rechte rand: op zadeldak liggen de meeste banen op volle lengte tot aan de gootlijn, zoals te lezen is bij [het verhaal over een zadeldak](/dakstroom/later-eraf/zadeldak), terwijl op een schilddak vrijwel elke baan een andere maat heeft.
Voor de opwekking zelf is dat te overzien. De cellen liggen in het middendeel van de baan, en de banen die volledig binnen het vlak passen krijgen gewoon hun cellen. Bij de kepers, waar de banen versneden worden tot driehoeken en trapezia, is de resterende breedte vaak te smal voor een volwaardige cel of valt de snede er dwars doorheen. Op de tekening wordt daarom per vlak bepaald welke banen nog een volledige cel kunnen dragen en welke een blinde baan blijven, zonder opwekking, puur als dakbedekking. Dat is geen gebrek aan het systeem, het is een rekensom die bij een schilddak nu eenmaal anders uitvalt dan bij een rechthoekig vlak.
Dertig jaar verder, als het dak aan vervanging toe is, wordt precies díe verdeling weer relevant. Een volle baan met een intacte cel is een eenheid die je er in één stuk uit kunt tillen: klemmen los, bekabeling los, baan eraf. Een versneden baan bij de keper, met een half stukje cel of helemaal geen cel, is dakbedekking geworden zodra hij op maat gezaagd is, en dakbedekking en zonnecel zijn dan aan elkaar vast in een stuk plaatstaal dat niet meer terug te brengen is tot twee gescheiden materialen. Bij een schilddak met vier hoeken heb je dus per vlak een mix van banen die schoon te scheiden zijn en banen die dat niet zijn, en die verhouding hangt af van hoe de kepers precies liepen en hoe de banen daarop zijn afgestemd.
Wat er voor het scheiden zelf nog niet vastligt, is hetzelfde als bij elk ander dakvlak: er is nog geen vaste werkwijze waarbij een cel uit een baan wordt gehaald zonder dat baan of cel beschadigd raakt, en er is geen langjarige praktijk waaruit blijkt hoe goed dat na dertig jaar weer loslaat. Het staal van de baan is op zichzelf een schone, veelgebruikte stroom die goed te recyclen is; dat verandert niet doordat er her en der een cel in zit. Maar of de cel er dan nog heelhuids uitkomt, of dat hij met het staal meegaat naar de shredder, is nu nog niet met zekerheid te zeggen. Wij noemen dat liever nu al dan dat we het verzwijgen.
De reden dat een schilddak in de praktijk wél vaak in aanmerking komt voor dit systeem, ligt niet bij de kepers maar bij het moment van beslissen. Schilddaken zitten geregeld op oudere woningen waar de dakbedekking sowieso aan het einde van zijn levensduur is, en dan is de vraag niet of er nieuwe felsbanen komen, maar of die banen ook meteen stroom leveren. In die situatie betaal je één keer voor het dak en de opwekking samen, en is de vraag hoe je het er later weer af haalt een vraag voor over dertig jaar, niet een reden om nu iets anders te doen.
Op een schilddak dat pas tien jaar oud is en waarvan de bedekking nog jaren meegaat, ligt dat anders. Dan leg je een compleet nieuw dakvlak neer om opwekking te krijgen die je ook met paneeltjes op beugels had kunnen halen, zonder dat er iets aan het dak zelf mankeert. In dat geval is de vergelijking met een regulier paneel op beugels relevant: bij beugels blijft het bestaande dak liggen en kun je de panelen op zichzelf weghalen zonder de onderlaag aan te raken, iets waar wij apart op ingaan als het gaat om [wat er verandert tegenover panelen op beugels](/dakstroom/later-eraf/tegenover-panelen-op-beugels). Bij een schilddak met een dak dat nog niet aan vervanging toe is, is dat vaak het praktischer antwoord.
Voor een concreet schilddak werken we dit uit op basis van de werkelijke maten: de lengte van elke keper, de hoek waaronder de vlakken samenkomen, en de breedte van elk vlak aan de goot. Daaruit volgt hoeveel volle banen er per vlak passen, hoeveel er versneden worden bij de hoeken, en dus ook welk deel van het dak straks als losse, herbruikbare eenheid te demonteren is en welk deel vast zit aan een versneden stuk plaatstaal. Dat rekenwerk kost niets en het is de enige manier om voor een specifiek dak, met zijn eigen hoeken en zijn eigen maatvoering, een eerlijk antwoord te geven op de vraag hoe het er later weer af gaat.