Klikzink
Zolang de zon schijnt, staat een dakvlak met geïntegreerde zonnecellen onder spanning. Dat geldt voor elke ligging, ook voor het noorden, en dat is de kern van wat we hier steeds opnieuw uitleggen. Bij brand is het voor de brandweer van belang om snel te weten waar spanning op zit en hoe die eraf kan. Op dat punt verandert de oriëntatie van het dakvlak niets aan de manier waarop de installatie werkt of aan de voorzieningen die daarbij horen.
Wat wel verandert op een noordvlak is de vraag of je daar überhaupt cellen in de baan wilt hebben liggen. Een dak op het noorden krijgt weinig directe zoninstraling. Op de meeste locaties in Nederland levert een noordvlak het grootste deel van het jaar een laag vermogen, met name in de wintermaanden vrijwel niets. Dat is geen kwestie van een net iets lagere opbrengst dan op het zuiden; het is een structureel ander uitgangspunt. Waar een oost- of westvlak nog een substantieel deel van het jaar meedraait, ligt een noordvlak vooral stil.
Die eerlijke constatering hoort op deze pagina, want wij verkopen liever een dak dat klopt dan een dakvlak vol cellen dat er vooral goed uitziet. Een felsbaan zonder cellen ziet er namelijk exact hetzelfde uit als een baan met cellen erin: zelfde matte kleur, zelfde profiel, zelfde lijn. Niemand op straat ziet het verschil. Dat betekent dat je op een noordvlak niets aan aanblik verliest door daar gewone banen te leggen en de cellen te concentreren op de vlakken waar ze wel iets opleveren.
Op elk vlak met geïntegreerde cellen zit een voorziening om het vlak spanningsloos te maken, onafhankelijk van de kant waarop het dak ligt. Dat gebeurt met schakelaars die het vlak in secties kunnen ontkoppelen van de rest van de installatie, aangestuurd vanaf een vast punt buiten het dakvlak zelf. De brandweer hoeft dus niet het dak op om een schakelaar te bereiken; die zit op een plek die vanaf de grond of vanuit de meterkast toegankelijk is. Bij een woning met een noordvlak in de daklijn, bijvoorbeeld een tussenwoning waarvan het achterdak op het noorden ligt en het voordak op het zuiden, zit die schakelvoorziening niet twee keer maar op één plek voor de hele installatie. Het maakt voor de bediening niet uit welk vlak op welke hemelrichting ligt.
Waar de oriëntatie wel invloed op heeft, is de hoeveelheid restspanning die je bij daglicht kunt verwachten als de brandweer arriveert. Op een zuidvlak op een heldere middag staat een aanzienlijk deel van het vlak onder vollast. Op een noordvlak, vooral in de winter of bij bewolkt weer, is die spanning vaak al laag voordat er iets wordt uitgeschakeld. Dat is geen vrijbrief om de voorziening voor spanningsloos maken achterwege te laten, want ook een laag vermogen is spanning, en de procedure van de brandweer gaat uit van het ergste geval, niet van het gemiddelde. Maar het relativeert de praktijksituatie: een brand op een pand met een noordelijk gericht dakvlak vol cellen is voor de bluswerkzaamheden zelden het scenario waarin de zoninstraling de bepalende factor is.
De vraag die bij een noordvlak eerst beantwoord moet worden, is niet hoe brandveilig het is, maar of het zinvol is om daar cellen te leggen. Bij een zadeldak met een zuid- en een noordkant is het antwoord meestal duidelijk: de cellen op het zuidvlak, gewone felsbanen op het noordvlak. Bij een schilddak met vier hellingen waarvan één op het noorden wijst, geldt dezelfde logica voor dat ene vlak. De ligging draait het antwoord pas om als het dakvlak zelf de enige beschikbare plek is, bijvoorbeeld bij een aanbouw met een enkelvoudig hellend dak dat toevallig op het noorden georiënteerd is en waar geen ander dakvlak beschikbaar is voor opwekking. In dat geval is de overweging niet meer brandveiligheid, maar rendement: is een laag maar aanwezig vermogen op het noorden de investering waard, of kies je daar voor een dak zonder cellen en leg je de opwekking op een andere plek op het perceel, zoals een bijgebouw of een carport.
Deze afweging maakt het verschil tussen een dak dat overal cellen heeft omdat het kan, en een dak dat cellen heeft waar ze iets opleveren. Bij nieuwbouw of een dakvervanging waarbij het hele oppervlak toch al opnieuw wordt uitgevoerd, is dat een keuze die je op tekening maakt: op basis van de oriëntatie van elk vlak bepaal je waar cellen zinvol zijn en waar een gewone baan volstaat. Omdat de baan met cellen en de baan zonder cellen identiek ogen, kost die keuze niets aan uitstraling. Het scheelt wel in de kosten, want een baan zonder cellen is goedkoper dan een baan met cellen, en op een vlak waar toch weinig opbrengst te verwachten is, is dat verschil snel terugverdiend in de investering zelf, nog voordat er één kilowattuur is opgewekt.
Voor onderhoud en periodieke inspectie van de installatie maakt de hemelrichting van het vlak weinig uit. De bekabeling loopt vanaf de cellen naar binnen op dezelfde manier als bij elk ander vlak, en de controlepunten voor de installatie zitten op vaste plekken, niet per dakvlak verspreid. Een inspecteur die de spanningvoerende delen van de installatie controleert, kijkt naar de aansluitingen en de schakelvoorzieningen, niet naar de zonkant van het pand. Het enige praktische verschil is dat een noordvlak minder vaak onder vollast wordt gecontroleerd, simpelweg omdat het vlak minder vaak vollast heeft.
Als je overweegt om een dakvlak op het noorden met cellen uit te voeren, kijken wij daar op tekening naar samen met de rest van het dak. We bepalen per vlak wat de verwachte instraling is op basis van oriëntatie en hellingshoek, en we geven aan waar een baan met cellen zin heeft en waar een gewone baan logischer is. Die exercitie kost niets, en het voorkomt dat je betaalt voor cellen op een vlak dat het grootste deel van het jaar in de schaduw van de zon zelf ligt. Brandveiligheid is op elk vlak met cellen op dezelfde manier geregeld, ongeacht de kant waarop het dak ligt; de vraag die de ligging wel beïnvloedt, is of je die voorziening op het noorden eigenlijk nodig hebt.