Klikzink
Een kantoorpand dat verduurzaamd wordt, doorloopt meestal dezelfde volgorde. Eerst de kozijnen, want die zijn zichtbaar tochtig en de klachten komen van binnenuit. Dan de isolatie van de gevel, soms de vloer. Het dak komt aan het eind, en vaak alleen omdat er toch panelen op moeten. Dat is de omgekeerde volgorde van wat logisch zou zijn, en het kost geld dat niet meer terug te halen is.
Het dak is namelijk het vlak waar isolatie, waterdichtheid en opwekking elkaar raken. Wie eerst de kozijnen vervangt en pas jaren later het dak aanpakt, zet twee keer een bouwkraan neer, twee keer steigers, twee keer een saneringsbedrijf voor de oude dakbedekking. En wie panelen op een dak legt dat over vijf jaar toch vervangen moet worden, haalt over vijf jaar die panelen er weer af, zet ze ergens tijdelijk neer, en legt ze terug. Dat gebeurt op kantoorpanden vaker dan je zou denken, juist omdat de dakvervanging losstaat van het verduurzamingsbudget en dus apart wordt ingepland.
Bij een felsdak met geïntegreerde zonnecellen valt die volgorde samen. Het dak wordt vervangen en is meteen het paneel. Er is geen tweede beslismoment, geen tweede aannemer, geen tweede stelling van steigers. Dat is meteen ook de grens van dit verhaal: het loont vrijwel alleen wanneer het dak toch aan de beurt is. Op een dak dat nog vijftien jaar meekan, is een systeem op beugels goedkoper per opgewekte kilowattpiek, en dan is wachten op de eigenlijke dakvervanging, of juist niet wachten en gewoon panelen erop leggen, verstandiger dan nu al voor de geïntegreerde variant te kiezen.
Kantoorpanden hebben een verbruikspatroon dat opwekking op het dak logisch maakt: de stroom wordt overdag gebruikt, wanneer de zon ook levert. Er is geen nachtverbruik dat om een grote accu vraagt en geen leegstand die de opbrengst laat wegvloeien naar het net voor een prijs die niets oplevert. Dat is een gegeven dat los staat van welk systeem er ligt, maar het bepaalt wel of investeren in dakopwekking überhaupt zin heeft, en bij een kantoorpand is dat antwoord meestal ja.
Waar het lastiger wordt, is de ruimte op het dakvlak zelf. Op veel kantoorgebouwen staat het dak vol: klimaatinstallaties, liftmachinekamers, rookluiken, soms een dakterras voor het personeel. Een paneel op beugels heeft rondom die obstakels vrije ruimte nodig om schaduw en bekabeling te kunnen regelen, en die ruimte is er niet altijd. Een felsbaan met cellen erin ligt in het vlak zelf en heeft geen bufferzone nodig; de baan loopt gewoon door tot waar de installatie begint en stopt daar. Dat maakt het bij een dak dat toch al vol staat makkelijker om het beschikbare oppervlak daadwerkelijk te benutten, ook de smalle stroken tussen twee luchtbehandelingskasten waar een regulier paneel niet meer past.
Bij een fabriekshal ziet vrijwel niemand het dak. Bij een kantoorpand is dat anders: er komen klanten, er is vaak een naastgelegen gebouw of een weg waar het dak zichtbaar is, en het pand moet iets uitstralen. Rijen panelen op beugels ogen als een toevoeging, een technisch apparaat dat later op het gebouw is gezet. Bij sommige opdrachtgevers is dat geen probleem, bij andere weegt het uiterlijk zwaar mee in de afweging, zeker als het gebouw een representatieve functie heeft en de architect of de eigenaar bewust heeft gekozen voor rust in het dakvlak.
De cellen liggen in dezelfde matte, donkere kleur en op dezelfde lijn als de banen zonder cellen, zodat het dak van veraf als één vlak blijft ogen. Geen schaduwrand van bevestigingsbeugels, geen tweede laag boven het bestaande dak. Voor sommige panden is dat de doorslag: niet omdat het meer stroom oplevert, dat doet het niet per definitie, maar omdat het gebouw er hetzelfde bij blijft staan.
De eerlijke vraag die bij elk kantoorpand gesteld moet worden, is of het dak binnen een overzienbare termijn toch vervangen wordt. Is de dakbedekking twintig jaar oud en aan het einde van zijn levensduur, dan valt de vervanging en de opwekking samen te plannen en betaalt de opdrachtgever in feite één keer voor twee dingen. Is het dak nog relatief nieuw en in goede staat, dan is een systeem op beugels vrijwel altijd de goedkopere weg naar dezelfde hoeveelheid stroom, en is er geen enkele reden om daarop te wachten tot het dak toevallig aan de beurt is.
Daar komt bij dat bij nieuwbouw dezelfde logica geldt als bij vervanging: er is nog geen bestaand dak waarvan de resterende levensduur verspild zou worden, en dak en opwekking worden in één ontwerp en één bouwfase meegenomen. Voor een kantoorpand dat nu net is opgeleverd of nog in de ontwerpfase zit, is dat vaak het natuurlijke moment om deze afweging te maken, eerder dan bij een bestaand pand waar de dakvervanging nog jaren weg kan zijn.
Bij een kantoorpand waar het dak inderdaad aan vervanging toe is, wordt de oude dakbedekking verwijderd tot op de constructie, komt er nieuwe isolatie op maat van de huidige eisen, en wordt de felsbaan gelegd als afwerking en opwekking in één laag. De bekabeling gaat door het dakvlak naar binnen op de plek waar dat toch al gepland stond, zoals wij uitleggen bij [de kabeldoorvoer op een kantoorpand](/dakstroom/kantoorpand/kabeldoorvoer), en de aansluiting op het bestaande elektrische systeem van het gebouw wordt in dezelfde bouwfase meegenomen als de rest van de installatietechniek.
Of het dak van dit specifieke pand voldoende oppervlak, oriëntatie en resterende levensduur heeft om deze keuze te laten renderen, is iets wat per gebouw verschilt en wat wij op tekening uitrekenen, niet iets waar een algemeen getal op deze pagina recht aan doet. Datzelfde geldt voor de kosten: die hangen af van de dakvorm, het aantal doorvoeren en installaties op het dak, en de gewenste verdeling tussen banen met en zonder cellen. Een gesprek op basis van een dakplan van het gebouw geeft daar sneller antwoord op dan een schatting vooraf.