Klikzink

Per baan zien wat hij doet op een gebogen dak

Een gebogen dak is geen vlak met een vaste helling. De hoek waaronder een baan de zon ziet verandert geleidelijk, van boven aan de kromming naar onder, of van het midden naar de rand. Dat is precies waarom meten per baan hier meer betekent dan op een plat schuin dakvlak: je verwacht al verschillen tussen de banen, en je wilt weten of een verschil komt van de vorm van het dak of van iets dat niet goed werkt.

Op een rond of tongewelfd dak lopen de banen mee met de kromming, meestal in de richting van de welving. Elke baan staat daardoor in een iets andere hoek naar de zon dan zijn buurman. Een baan boven op de welving, waar het vlak het meest recht naar de zon staat, levert op een heldere dag doorgaans iets meer dan een baan die verder om de kromming heen ligt. Dat is geen storing, dat is de vorm van het dak. Wie dat niet weet, gaat een baan die twintig procent minder levert dan de baan ernaast onterecht als defect aanmerken, terwijl hij gewoon op een ander deel van de kromming ligt.

Daarom is de eerste stap bij een gebogen dak niet het meten zelf, maar het vastleggen van een nulmeting per positie op de kromming. Je zet niet de opbrengst van baan veertien naast baan vijftien, maar naast wat baan veertien zelf op een vergelijkbare heldere dag eerder deed. Zo zie je een verandering ten opzichte van zichzelf, niet ten opzichte van een buurman die om een andere reden toch al minder haalt.

Als je het dak niet kunt oplopen weegt dat harder

Op een plat dak met paneelrijen kun je naar boven, een kabel losklikken en met een testapparaat meten of een string het probleem is. Op een sterk gebogen dak, een tongewelf op een sporthal of een ronde overkapping op grote hoogte, is dat geen optie die je even doet. Er komt een lift of een steiger bij, en het dak zelf is vaak niet berekend op belasting van personen die er op lopen. Dan is de vraag welke baan minder doet niet een kwestie van even kijken, maar van eerst weten voordat je iets regelt om te gaan kijken.

Dat is het verschil met een plat dakvlak dat wij ook beschrijven op de pagina over [meten op een flauwe helling](/dakstroom/monitoring/flauwe-helling): daar is de vorm van het dak zelf geen storende factor in de meting, hier wel. Op een gebogen dak moet de meting het onderscheid maken tussen vorm en storing, en dat kan alleen als je vooraf weet hoe de banen ten opzichte van elkaar horen te presteren.

Een voorbeeld: een gebogen loods met veertig banen

Stel een gebogen bedrijfshal, veertig banen breed, met de kromming van goot naar goot. De banen in het midden van de welving staan het meest naar de zon gericht, de banen bij de gootranden liggen verder weg van de zon en leveren op papier structureel iets minder. Op een dag met veel bewolking en verspreid licht wordt dat verschil kleiner, omdat verspreid licht minder gevoelig is voor de precieze hoek. Op een heldere dag met een lage winterzon wordt het verschil juist groter.

Degene die het systeem beheert, ziet dus twee dingen tegelijk: een vast patroon dat samenhangt met de positie op de kromming, en een variabel patroon dat samenhangt met het weer. Een echte storing, een baan die minder doet dan zijn eigen historie op vergelijkbare dagen, valt daar als derde patroon uit te lichten. Zonder die twee eerste patronen te kennen zou je bij elke wisseling van het weer denken dat er iets kapot is.

Tot welke straal dit nog uitmaakt

Bij een flauwe kromming, een dak dat over de volle breedte maar een paar graden buigt, is het effect op de meting klein en kun je de banen vrijwel als gelijk behandelen. Bij een uitgesproken tongewelf of een koepelvormig dak, waar de hoek van baan tot baan met tien graden of meer kan verschillen, is het verschil in verwachte opbrengst tussen de banen zo groot dat je zonder een nulmeting per positie geen zinnig oordeel kunt geven over wat een baan hoort te doen. Een exacte grens in meters straal geven wij hier niet, dat hangt af van de oriëntatie van de kromming ten opzichte van de zon en van hoe de banen erop lopen. Dat rekenen wij uit op tekening, per dakvlak.

Wat dit oplevert is niet alleen een technisch antwoord maar ook een praktisch: op een sterk gebogen dak loont het om bij oplevering een reeks metingen op een paar heldere dagen vast te leggen als referentie, zodat een latere afwijking meteen wordt vergeleken met wat die baan op die plek normaal doet, in plaats van met een gemiddelde dat voor een gebogen vlak niet bestaat.

Waar een gebogen dak het antwoord verandert

Op een recht schuin dak, zoals een zadeldak of een lessenaarsdak, is de verwachting simpel: alle banen op hetzelfde dakvlak zouden ongeveer gelijk moeten presteren, en een uitschieter is meestal een signaal. Wij werken dat verder uit bij de meting op een zadeldak. Op een gebogen dak is die aanname niet houdbaar en moet je de vorm eerst uit de meting halen voordat je conclusies trekt.

Dat verandert ook het antwoord op de vraag of het per baan meten hier meer waarde heeft dan bij panelen op beugels. Bij panelen op een gebogen ondergrond wordt vaak juist een vlakker hulpframe gebruikt om de panelen zelf recht te houden, met een luchtspouw waarin je nog kunt kijken en voelen of er iets loszit. Bij een felsbaan die de kromming van het dak zelf volgt, is er niets om apart te bekijken; de baan is het dak. Dat maakt de meting per baan niet overbodig, maar juist de enige manier om iets te weten voordat er iemand het dak op moet.

Of dit voor een specifiek gebogen dakvlak de juiste opzet is, hangt af van de straal, de oriëntatie en de hoogte van het dak. Stuur ons de tekening en wij rekenen door hoe de banen op de kromming zich tot elkaar verhouden en wat daar een zinnige meetopzet voor is.

Terug naar het overzicht

KKlikzink
Pagina'sSolarfels: felsplaten met de zonnecellen erinDiensten voor solarfels: van tekening tot dakOver ons: waarom wij de cellen in de baan zettenContact over solarfels op uw dakvlakDetailsHoe het werktSpecificatiesOpbrengstVergelijkenProjectenBlogPrivacyverklaring solarfels.com
Contact
Adres
© Klikzink