Klikzink
Een zadeldak heeft twee vlakken die tegen elkaar aan hellen, met de nok als hoogste lijn ertussen. Voor de opwekking van stroom is dat een gunstige vorm, want de twee vlakken kijken meestal naar twee verschillende kanten, bijvoorbeeld oost en west, of zuidoost en noordwest. Dat betekent dat er op elk vlak een ander deel van de dag stroom wordt opgewekt, en dat heeft gevolgen voor waar de omvormer het beste kan hangen en hoe de kabels van de banen naar de omvormer en van de omvormer naar de meterkast lopen.
Bij een zadeldak met twee vlakken is de nok vaak de plek waar de bekabeling van beide zijden samenkomt. De kabels van de felsbanen op het ene vlak en die van het andere vlak kunnen bij de nok naar binnen, in plaats van dat er twee losse doorvoeren nodig zijn, elk aan een andere kant van het dak. Dat scheelt een doorvoer, en het houdt de bekabeling overzichtelijk: één punt waar de kabels het dak verlaten en de zolder of spouw in gaan, in plaats van twee punten die elk apart afgedicht en bereikbaar moeten blijven. Zoals wij uitleggen bij de aansluiting op de nok, is dat niet bij elke dakvorm vanzelfsprekend; bij een zadeldak ligt het voor de hand omdat de nok toch al het hoogste en meest centrale punt van het dakvlak is.
Vanaf die doorvoer bij de nok is de weg naar de omvormer een kwestie van de kortste route zoeken door de constructie. Op een woonhuis met een zolder onder het dak is dat vaak simpel: de omvormer hangt op de zolder, dicht bij de doorvoer, en van daar loopt een enkele kabel naar de meterkast. Bij een grotere schuur of loods met een zadeldak dat over meerdere gebinten doorloopt, is de afstand tussen de nok en de meterkast soms aanzienlijk, en dan is het de moeite waard om op tekening te kijken of de omvormer dichter bij de doorvoer kan hangen, met een langere gelijkstroomkabel ervoor, of dichter bij de meterkast, met een langere wisselstroomkabel erna. Dat is een technische afweging die per gebouw verschilt, en die wij op tekening doorrekenen.
Het verschil met een enkel hellend vlak is dat een zadeldak eigenlijk twee dakvlakken met elk hun eigen zoninval oplevert. Als het ene vlak naar het oosten kijkt en het andere naar het westen, dan wekt het oostvlak vooral 's ochtends stroom op en het westvlak vooral 's middags en 's avonds. Worden de twee vlakken op dezelfde schakeling aangesloten, dan bepaalt op elk moment het zwakste vlak mee hoeveel er in totaal wordt opgewekt: als het oostvlak in de schaduw van een boom ligt terwijl het westvlak volle zon heeft, trekt dat de opbrengst van het hele systeem omlaag.
Daarom worden de twee vlakken van een zadeldak vaak apart geschakeld, elk op zijn eigen ingang van de omvormer of, bij grotere daken, elk met een eigen omvormer. Een voorbeeld uit de praktijk: een boerderij met een zadeldak waarvan het zuidvlak vrij ligt en het noordvlak deels in de schaduw van een naburige schuur valt. Door beide vlakken apart te schakelen, blijft de opbrengst van het zuidvlak overeind, terwijl het noordvlak doet wat het kan zonder de rest te beperken. Bij een dakvlak dat volledig naar het noorden kijkt is de afweging trouwens een andere, zoals te lezen is over de omvormer op het noorden; bij een zadeldak speelt die vraag zich alleen af voor het vlak dat naar het noorden wijst, niet voor het hele dak.
Op een dak met één hellend vlak, zoals een lessenaarsdak, is de vraag waar de omvormer komt vooral een vraag van afstand: hoe ver is het van het dakvlak naar de meterkast, en waar in die route zit een droge, koele plek. Bij een zadeldak komt daar de keuze van de nok als centraal punt bij, en de vraag of de twee vlakken apart geschakeld moeten worden. Dat maakt de afweging iets ingewikkelder, maar ook iets flexibeler: er zijn twee kanten van het dak om een geschikte plek voor de doorvoer te zoeken, in plaats van één.
De situatie draait om wanneer de twee dakvlakken van het zadeldak in dezelfde richting kijken, wat bijvoorbeeld gebeurt bij een flauwe kap waarbij de helling van beide zijden zo gering is dat de oriëntatie er weinig toe doet. Dan is het verschil tussen de twee vlakken kleiner en kan één gezamenlijke schakeling voldoende zijn. Ook bij een klein zadeldak, zoals op een garage of berging, is de kabelafstand tussen de twee vlakken en de nok zo kort dat het apart schakelen weinig toevoegt: de winst van twee schakelingen zit vooral in de omvang van het dakvlak en het verschil in zoninstraling tussen de twee kanten.
Wat niet verandert door de vorm van het dak, is de eis die aan de omvormer zelf wordt gesteld. Hij moet droog hangen, dus niet buiten onder de gevelrand en niet in een vochtige kruipruimte. Hij moet koel genoeg blijven, dus niet direct tegen een geïsoleerde spouw aan zonder ventilatie, en hij moet bereikbaar zijn voor onderhoud en aflezing, dus niet weggewerkt achter een dichtgetimmerde wand. Bij een zadeldak is de zolderruimte onder de nok meestal de eerste plek waar aan gedacht wordt, en dat is in de meeste gevallen ook een goede plek, mits er voldoende ventilatie is en de omvormer niet in de volle zon achter een dakraam komt te hangen.
Bij twijfel over de precieze plek, de lengte van de kabels of de vraag of de twee dakvlakken apart geschakeld moeten worden, rekenen wij dat uit op tekening. Dat kost niets en het voorkomt dat er achteraf een kabel te kort blijkt of een omvormer op een plek hangt die niet koel genoeg is.