Klikzink
Een zadeldak heeft twee vlakken die tegen elkaar aan liggen, met de nok als scheidingslijn. Dat is meteen ook de belangrijkste eigenschap voor de brandveiligheid van een dak dat zelf stroom opwekt. Zolang er licht op valt, staat het vlak onder spanning, en die spanning blijft aanwezig tot iemand of iets de stroomketen onderbreekt. Bij een dak zonder nok is dat één aaneengesloten vlak dat je in zijn geheel moet uitschakelen. Bij een zadeldak zijn het er twee, en dat geeft ruimte om het anders te regelen.
De twee vlakken van een zadeldak liggen bijna altijd op verschillende oriëntaties, de een naar het oosten en de ander naar het westen bijvoorbeeld, of noord en zuid. Elk vlak heeft zijn eigen bekabeling en kan daardoor apart worden aangesloten op een eigen schakelaar of omvormer. Praktisch betekent dit dat de brandweer, of de installateur bij onderhoud, niet het hele dak in één keer spanningsloos hoeft te maken. Is er brand of rook op het ene dakvlak, dan kan het andere vlak los daarvan blijven functioneren of apart worden afgeschakeld. Bij een dak met één groot vlak mis je die scheiding en moet de hele oppervlakte als één systeem worden behandeld.
Omdat de twee vlakken bij de nok samenkomen, is dat de logische plek om de bekabeling van beide vlakken naar binnen te brengen. De doorvoer zit dan op het hoogste punt van het dak, uit het zicht en uit de looplijn van eventueel onderhoud aan goten of dakranden. Vanuit de nok lopen de kabels naar de schakelvoorziening binnen, vaak vlak bij de plek waar ook de omvormer staat. Bij een aannemer die een zadeldak met deze felsbanen aanlegt, betekent dit dat de doorvoer al in het ontwerp wordt meegenomen voordat de banen gelegd worden, niet als latere toevoeging.
Dat is een andere opzet dan bij een lessenaarsdak, waar maar één vlak is en de doorvoer dus op een andere plek in dat vlak moet komen, zoals wij uitleggen bij [brandveiligheid op een lessenaarsdak](/dakstroom/brandveiligheid/lessenaarsdak). Bij een zadeldak ligt de keuze voor de hand: de nok is er, de twee vlakken komen er samen, en de bekabeling volgt die lijn naar binnen.
Stel dat een schoorsteen op het zuidvlak van een zadeldak in brand raakt. Met een aparte schakeling per vlak kan het zuidvlak spanningsloos worden gemaakt zonder dat het noordvlak wordt geraakt. Voor de brandweer maakt dat verschil bij het benaderen van het dak: een blusploeg die het dak op moet voor een schoorsteenbrand werkt liever op een vlak waarvan zeker is dat er geen spanning meer op staat, en heeft dan nog steeds een tweede vlak waarop, indien nodig, gewerkt kan worden zonder daar apart op te moeten wachten.
Dat apart schakelen is geen automatisme dat vanzelf ontstaat omdat er twee vlakken zijn. Het moet worden aangelegd: elk vlak zijn eigen string, een eigen aansluiting op de omvormer of op een aparte schakelaar, en een doorvoer die dat onderscheid ook echt vasthoudt tot in de meterkast. Bij een zadeldak is dat meestal geen extra kostenpost van betekenis, omdat de twee vlakken toch al als aparte oppervlakken worden aangelegd met elk hun eigen hellingshoek en oriëntatie. De scheiding ligt er in feite al, en het is aan de installateur om die door te trekken tot in de bekabeling.
Er zijn zadeldaken waarbij het niet zo eenvoudig ligt. Als een van de twee vlakken heel klein is, bijvoorbeeld bij een dak met een sterk asymmetrische kap, kan het financieel of technisch niet lonen om dat vlak een eigen schakelvoorziening te geven. Dan wordt het kleine vlak soms meegenomen in dezelfde string als het grote vlak, en vervalt het voordeel van apart schakelen. Ook bij dakkapellen die de nok doorbreken of bij een dak met meerdere kleine opgaande delen kan de indeling in vlakken ingewikkelder worden dan de simpele tweedeling van een zuiver zadeldak. In die gevallen moet per dakvlak opnieuw worden bekeken waar de scheiding het handigst ligt, en dat verschilt van geval tot geval.
Er is ook een omgekeerde situatie denkbaar: een zadeldak waarbij beide vlakken toch als één systeem worden aangesloten, omdat de af te leggen kabelafstand naar de meterkast dat praktischer maakt of omdat er maar één omvormer wordt geplaatst voor het hele dak. Dan verdwijnt het voordeel van de twee aparte vlakken op papier, ook al ligt de nok er nog steeds. Wie brandveiligheid als zwaarwegend argument meeneemt in het ontwerp, moet dus niet alleen kijken naar de vorm van het dak, maar ook naar hoe de installateur de bekabeling daadwerkelijk indeelt.
Bij deze felsbanen zit de zonnecel in het vlak van de baan zelf, zonder beugels of een tweede laag boven het dak. Dat verandert niets aan het principe van spanning en schakeling, maar het scheelt wel in de complexiteit van de bekabeling op het dak: er is geen aparte bevestigingsconstructie waar kabels langs moeten, de bekabeling volgt de banen zelf naar de nok toe. Voor een zadeldak met twee heldere vlakken is dat een rechte lijn: de banen lopen van goot tot nok, en bij de nok komt de bekabeling van beide vlakken samen op de plek waar hij ook het dak verlaat.
Hoe dat er precies uitziet, met hoeveel strings en welke schakelvoorziening, is niet voor elk zadeldak hetzelfde. Dat hangt af van de oppervlakte van elk vlak, de gekozen omvormer en de indeling die de installateur maakt. Wij rekenen dat uit op tekening, per dakvlak, zodat vooraf duidelijk is waar de doorvoer komt en hoe de twee vlakken worden geschakeld. Klikzink, Boylestraat 22 in Ede, denkt daarin mee zonder dat dat wat kost.