Klikzink

Waar de omvormer komt op een schilddak

Een schilddak heeft geen enkel dakvlak dat model is voor de rest. Er zijn vier schuine vlakken die tegen elkaar aan hellen, met hoekkepers op de plaats waar ze samenkomen. Elke baan op elk vlak eindigt op een andere lengte, omdat de kepers schuin lopen. Dat bepaalt hoeveel volle, gelijke banen er op een vlak passen en hoeveel er ingekort moeten worden. Voor de opwekking zelf hoort dat bij het ontwerp van het dakvlak. Voor de omvormer is het een ander verhaal: die gaat niet op het dak, maar ergens binnen, en de vraag is waar.

De omvormer zet de gelijkstroom uit de felsbanen om in wisselstroom die het huis of bedrijf kan gebruiken. Dat omzetten kost een beetje warmte, dus het apparaat moet ergens hangen waar het droog blijft en niet in de volle zon staat te broeien. Een garage, een bergruimte, een technische ruimte naast de meterkast: dat zijn de gebruikelijke plekken. Bij een schilddak is er behalve die eis nog een tweede vraag die minder voor de hand ligt: van welk van de vier vlakken loopt de kabel de kortste weg naar binnen.

Waarom vier vlakken een keuze vragen die een zadeldak niet vraagt

Bij een zadeldak met twee vlakken is de keuze meestal snel gemaakt: het zuiden of het vlak met de meeste opbrengst wint, en de kabel volgt de kortste route naar de nok of de gootlijn. Bij een schilddak liggen er vier vlakken naast elkaar, vaak in verschillende windrichtingen, en de bekabeling van elk vlak moet ergens samenkomen voordat die de omvormer bereikt. Dat kan via de nok, waar de vier vlakken samenkomen, of via een van de hoekkepers naar de gootlijn en dan langs de gevel naar binnen.

Stel een woonhuis met een schilddak van acht meter bij tien, vier vlakken op het zuiden, oosten, westen en noorden. De felsbanen op het zuiden en het westen leveren het meeste op en liggen het dichtst bij de kant van het huis waar de meterkast zit. De kabels van die twee vlakken lopen dan het kortst naar binnen. De banen op het noorden, die vaak toch minder opbrengen, hoeven niet over de hele lengte van het dak getrokken te worden om bij de omvormer te komen; ze kunnen op een eigen, kleinere aansluiting blijven of gewoon meelopen in dezelfde bundel als die al langs de kepel loopt. Wat telt is dat iemand vooraf tekent welke vlakken samenkomen op welk punt, in plaats van dat pas tijdens de bouw blijkt dat de kabel van het noordvlak dwars over de zolder moet.

De hoekkeper als vaste doorvoer, niet als obstakel

Op een schilddak is de hoekkeper de plek waar twee vlakken elkaar raken. Dat is meteen ook de meest logische plek om een kabel van het ene vlak naar het andere of naar binnen te leiden, omdat daar al een knik in de dakconstructie zit die toch afgewerkt moet worden. Bij een dakvlak met hoekkepers hoort dat de doorvoer daar gepland wordt, met een vaste, waterdichte aansluiting, in plaats van dat er halverwege een baan een gat gezocht wordt. Dat is ook een van de punten waarop deze bekabeling wezenlijk verschilt van een paneel dat los op het dak ligt, zoals wij uitleggen bij [de aansluiting op de nok](/dakstroom/omvormer). Bij de felsbaan zit de bevestiging al in de constructie; de kabelroute moet daar gewoon in meelopen.

Het is verstandig om, voordat de banen gelegd worden, met de aannemer en de installateur samen op tekening te bepalen langs welke keper de kabels naar binnen gaan. Wie dat pas beslist als de dakbedekker al aan het werk is, loopt het risico dat de kortste weg niet meer beschikbaar is omdat daar al een schoorsteen of een dakraam gepland stond.

Waarom volle en ingekorte banen de kabellengte beïnvloeden

Op een schilddak eindigt vrijwel geen baan op de volle lengte van het vlak, want de hoekkepers lopen schuin en snijden de banen aan de rand af. Dat betekent dat de banen aan de randen van een vlak korter zijn dan de banen in het midden, en dat de zonnecellen dus over verschillende lengtes verdeeld liggen. Voor de opbrengst zelf maakt dat weinig uit, want elke baan met cellen werkt op zichzelf. Voor de bekabeling is het wel relevant: hoe meer korte, afwijkende banen er langs een keper liggen, hoe meer losse kabeleindes er samenkomen op één punt. Bij een groot schilddak met veel kepers is het daarom praktisch om de aansluitpunten per vlak te bundelen vlak bij de nok of de goot, in plaats van elke baan afzonderlijk door te trekken naar de omvormer.

Een voorbeeld uit de praktijk: bij een utiliteitsgebouw met een schilddak van veertig meter lang bleek het zuidvlak in twee stukken gesplitst door een centrale schoorsteenkeper. In plaats van twee lange kabeltrajecten naast elkaar te trekken, is gekozen voor twee kleinere verzamelpunten net onder de nok, die samen op één leiding naar de omvormer in de technische ruimte uitkomen. Dat scheelde meters kabel en twee extra doorvoeren door het dakvlak.

Wanneer de ligging het antwoord omdraait

Bij een schilddak met vier gelijke vlakken zonder duidelijke voorkeursrichting, bijvoorbeeld een dak dat precies op de tussenrichtingen ligt, is er geen vlak dat vanzelf de kortste kabelroute heeft. In dat geval bepaalt de plek van de meterkast, niet de zon, welk vlak het uitgangspunt wordt voor de bekabeling. Ligt de meterkast aan de noordkant van het gebouw, dan kan het voordeliger zijn om de omvormer daar te plaatsen en de kabels van de zuidelijke vlakken door de vliering te laten lopen, ook als dat een langere kabel betekent dan bij een zadeldak met dezelfde oriëntatie.

Ook het aantal hoekkepers zelf kan het antwoord omdraaien. Bij een dak met een gedrongen plattegrond, waarbij alle vier de vlakken kort zijn en snel samenkomen bij de nok, ligt het voor de hand om alle bekabeling daar te bundelen. Bij een langgerekt schilddak, waarbij de vlakken over tientallen meters doorlopen, is het vaak goedkoper om de kabels aan de goot te verzamelen en pas daar naar binnen te brengen, dan om ze allemaal over de volle lengte naar de nok te trekken.

Wat dit voor de tekening betekent

De felsbanen met geïntegreerde cellen bepalen niet waar de omvormer komt; dat blijft een kwestie van de kortste, droogste weg naar binnen en de plek van de meterkast. Wat de banen wel bepalen is hoe de kabels vanaf het dakvlak worden verzameld, omdat er geen aparte bekabeling boven het dak ligt zoals bij paneelmontage op beugels. Bij een schilddak met meerdere vlakken en hoekkepers loont het daarom om vooraf, op tekening, te bepalen welk vlak welke route krijgt, in plaats van dat pas te ontdekken als de banen al liggen. Wie een schilddak overweegt met deze felsbanen kan de vlakken, de kepers en de gewenste plek van de omvormer aan ons voorleggen; wij rekenen de kabelroutes en de indeling van de banen door op tekening, kosteloos en voordat er iets op het dak ligt.

KKlikzink
Pagina'sSolarfels: felsplaten met de zonnecellen erinDiensten voor solarfels: van tekening tot dakOver ons: waarom wij de cellen in de baan zettenContact over solarfels op uw dakvlakDetailsHoe het werktSpecificatiesOpbrengstVergelijkenProjectenBlogPrivacyverklaring solarfels.com
Contact
Adres
© Klikzink