Klikzink
Een lessenaarsdak heeft geen nok, geen tegenoverliggend vlak en geen wisseling van richting. Er is één hellend vlak dat van de hoge naar de lage kant loopt, en alles wat op dat vlak ligt, beweegt uiteindelijk naar diezelfde ene goot. Dat maakt de manier waarop sneeuw zich gedraagt eenvoudiger te voorspellen dan bij een zadeldak of schilddak, waar meerdere vlakken en hoeken elkaar beïnvloeden. Maar eenvoudiger voorspelbaar is niet automatisch minder belastend. Alles wat elders over twee vlakken verdeeld zou zijn, komt hier bij één vlak en één goot terecht.
Op een felsdak met geïntegreerde zonnecellen, zoals solarfels, is het dakvlak van boven tot onder één doorlopend glad oppervlak. Er is geen frame, geen opstaande rand rond een paneel en geen sprong in hoogte tussen twee materialen. Sneeuw die op zo'n vlak valt, ligt op een gladde, matte, donkere ondergrond zonder plekken waar hij zich kan vastzetten. Zodra de onderkant van de sneeuwlaag door zoninstraling of door warmte vanuit het dak een klein beetje smelt, ontstaat een dun laagje water tussen sneeuw en staal. Dat laagje werkt als glijmiddel. De sneeuw glijdt dan niet in kleine brokken naar beneden, maar vaak als één aaneengesloten pakket dat de volle breedte van het dakvlak beslaat.
Op een dak met paneel op beugels ligt het paneel een paar centimeter boven het dakvlak, op een rail of beugelconstructie. Die opstap onderbreekt de gladde doorloop. Sneeuw die van het paneel glijdt, komt terecht op de dakbedekking eronder, blijft daar hangen tegen de onderkant van het volgende paneel, en schuift dan in kleinere hoeveelheden verder. Bij solarfels is die onderbreking er niet. De baan loopt door zonder sprong, van de bovenkant van het dakvlak tot aan de goot, en dat betekent dat een sneeuwpakket minder kans krijgt om ergens halverwege te blijven hangen. Wat er wel gebeurt en wat dat scheelt in valgedrag ten opzichte van beugelmontage, werken we uit bij [wat sneeuw doet ten opzichte van panelen op beugels](/dakstroom/sneeuw/tegenover-panelen-op-beugels).
Bij een lessenaarsdak is die doorloop extra van belang, omdat er geen nok is die de val onderbreekt of een tweede vlak dat een deel van de sneeuw afvangt. Alles wat er ligt, ligt op één helling die maar één kant op wijst. Bij een zadeldak verdeelt de sneeuw zich over twee vlakken die elk hun eigen goot voeden; bij een lessenaarsdak draagt één vlak alles naar één goot. Hoe dat samenspel van twee vlakken bij een zadeldak precies verschilt, staat beschreven bij [wat sneeuw doet op een zadeldak](/dakstroom/sneeuw/zadeldak), maar voor een lessenaarsdak is de rekensom simpeler en daardoor ook onvergeeflijker als de goot te klein is gedimensioneerd.
Het moment waarop een sneeuwpakket loskomt, hangt af van hoeveel warmte er van onderaf door het dakvlak komt en van de hoek van het dakvlak zelf. Bij een steile lessenaarshelling, richting de veertig graden of meer, is de kans dat sneeuw langere tijd blijft liggen kleiner: het gewicht van de sneeuwlaag zelf trekt hem sneller naar beneden, ook zonder veel smeltwater. Bij een flauwe lessenaarshelling, richting de tien tot vijftien graden, blijft de sneeuw langer liggen omdat de component van de zwaartekracht langs het vlak kleiner is. Dat verschil in hellingshoek en het effect daarvan op hoe lang een laag blijft liggen, werken we verder uit bij [wat sneeuw doet op een flauwe helling](/dakstroom/sneeuw/flauwe-helling).
Wanneer het pakket wel loskomt, valt het in één keer, geconcentreerd op de plek onder de laagste rand van het dakvlak. Bij een lessenaarsdak is dat de volledige lengte van de gootlijn, in één richting, zonder dat een deel van de sneeuw via een ander vlak of een andere goot wordt afgevoerd. Dat is anders dan bij een schilddak, waar de vlakken elkaar aan de hoeken raken en een deel van de sneeuw via de hoekkepers een andere weg aflegt; dat verloop staat beschreven bij [wat sneeuw doet op een schilddak](/dakstroom/sneeuw/schilddak). Bij een lessenaarsdak is er geen zo'n aftakking. Wat er ligt, komt bij die ene goot terecht, en als er onder die goot een pad, een terras of een fietsenstalling ligt, is dat de plek waar het gewicht en de klap van een vallend pakket samenkomen.
De oriëntatie van het lessenaarsvlak zelf, op het zuiden, op het noorden, of tussen oost en west, verandert vooral hoe snel dat smeltproces op gang komt. Een zuidgericht lessenaarsvlak vangt meer directe zoninstraling en de sneeuw glijdt daardoor vaak eerder en met kortere tussenpozen. Een noordgericht vlak houdt de sneeuw langer vast, waardoor de laag dikker kan worden voordat hij loskomt en het pakket dat valt zwaarder is. Dat verschil per oriëntatie staat uitgewerkt bij [wat sneeuw doet op het zuiden](/dakstroom/sneeuw/op-het-zuiden) en bij [wat sneeuw doet op het noorden](/dakstroom/sneeuw/op-het-noorden).
Op solarfels ligt de bekabeling in het vlak zelf, verwerkt in de fels en aangesloten via doorvoeren die niet in het directe pad van een vallend sneeuwpakket liggen. Dat is geen toeval: bij de indeling van een lessenaarsdak wordt de aansluiting bewust gepositioneerd bij de kopse kant of de hoogste rand, niet halverwege het vlak waar de klap van een vallend pakket het hardst valt. Bij een dak zonder nok, met lange doorlopende banen in één richting, is die indeling eenvoudiger te bepalen dan bij een dak met meerdere vlakken die op elkaar aansluiten. Er is maar één richting om rekening mee te houden.
De goot onder een lessenaarsdak moet het gewicht van een compleet sneeuwpakket in één keer kunnen opvangen zonder te vervormen, en de bevestiging van die goot moet bestand zijn tegen een impact die geconcentreerd is over de volle dakbreedte. Dat is een ander uitgangspunt dan bij een dak waar de sneeuw over twee gootlijnen verdeeld wordt. Bij een nieuw dak of bij vervanging van een bestaand lessenaarsdak rekenen wij dat door op tekening: hoe zwaar het pakket kan worden bij de gegeven hellingshoek en oriëntatie, en waar de goot en de eventuele sneeuwvangers dan moeten komen. Cijfers over gewicht per vierkante meter of exacte glijafstanden geven we niet zonder die tekening, want het verschilt per dakvlak, per hellingshoek en per klimaatbelasting van de locatie.
Een lessenaarsdak met een steile helling en een goede oriëntatie op de zon is voor solarfels een gunstige uitgangspositie: het glijdt makkelijker leeg en de cellen liggen minder lang onder een sneeuwlaag verstopt. Bij een zeer flauwe lessenaarshelling, of bij een dak waar de goot direct boven een looppad of een ingang ligt, is het waard om vooraf te bekijken of sneeuwvangers of een andere indeling van de banen nodig zijn. Dat weegt niet tegen solarfels als systeem, maar tegen de specifieke combinatie van helling, oriëntatie en wat er onder de goot gebeurt. Of dat in uw situatie om aanpassingen vraagt, bepalen we het liefst aan de hand van een tekening van het dak in kwestie.