Klikzink
Een zuiddak krijgt van alle richtingen de meeste zon, ook in de winter als de zon laag staat. Dat is de reden dat een zuidhelling meestal als eerste wordt genoemd wanneer iemand nadenkt over stroom uit het dakvlak zelf. Voor sneeuw werkt die instraling twee kanten op. De sneeuwlaag smelt eerder los van het dakvlak dan op een dak dat naar het noorden ligt, maar zolang de laag er ligt, wordt het grootste deel van de instraling toch tegengehouden. Precies dat samenspel bepaalt wat er in de praktijk gebeurt op een zuiddak met geïntegreerde cellen.
Een felsbaan met de cellen in het vlak zelf heeft geen kader, geen beugel en geen tweede laag boven het dakoppervlak. Sneeuw ligt dus op één doorlopend, glad vlak, van goot tot nok, zonder randen waar het aan kan blijven hangen. Op een zuidhelling smelt de onderkant van die laag door de combinatie van instraling en de warmte die via het dak naar boven komt eerder los dan op een schaduwrijk dak. Het pakket glijdt dan in één keer of in een paar keer naar de goot, in plaats van dat het centimeter voor centimeter wegdooit zoals bij een dak met opstaande randen vaak gebeurt.
Op een zuiddak valt het hoogste dagtotaal aan opbrengst, met een duidelijke piek rond het middaguur, wanneer de zon het hoogst staat. Dat is ook het moment waarop een eventuele sneeuwlaag het snelst wegtrekt, want dan is de instraling het sterkst. In de praktijk zie je op een zuiddak vaak dat de baan die het eerst vrijkomt, ook de baan is die het eerst weer meedoet aan de opwekking. Bij een dakvlak zonder cellen maakt dat niets uit voor de werking van het dak. Bij een dakvlak dat de stroom zelf opwekt, betekent het dat de terugkeer naar volle capaciteit na een sneeuwval sneller gaat dan op een dak dat minder zon vangt.
Of die snelle terugkeer ook iets oplevert, hangt af van wanneer de stroom nodig is. Een gebouw dat overdag veel verbruikt, profiteert direct van die middagpiek zodra de sneeuw weg is. Een gebouw dat vooral 's ochtends vroeg of 's avonds laat stroom nodig heeft, heeft aan die piek relatief weinig, sneeuw of geen sneeuw. Dat is geen reden om van een zuidhelling af te zien, maar het is wel de vraag die eerst beantwoord moet worden voordat je conclusies trekt uit een dagtotaal.
Het moment waarop het pakket loskomt is het moment waarop de goot het te verduren krijgt. Op een zuiddak, waar het smeltproces sneller op gang komt dan bijvoorbeeld op de kant die wij beschrijven bij [wat sneeuw doet op het noorden](/dakstroom/sneeuw/op-het-noorden), kan een grotere massa sneeuw en ijs in kortere tijd naar de rand glijden. Bij een woning met een berging, een terras of een looppad onder de daklijn is dat een reëel punt om in de ontwerpfase mee te nemen, los van de vraag of het dak cellen bevat of niet. Een sneeuwvanger, een ruimere goot of een andere plek voor de hoofdroute onder het dak zijn oplossingen die met de aannemer worden afgestemd, niet iets wat de felsbaan zelf oplost of verergert.
De cellen in de baan liggen op dezelfde lijn en in dezelfde matte donkere kleur als de banen ernaast, dus er is geen rand of kader waar een dooiend pakket aan kan blijven haken voordat het verder glijdt. Dat scheelt het opstapelen van ijs op één plek, wat bij een paneel op beugels wel kan gebeuren omdat daar een rand en een luchtspleet onder het paneel zitten. Voor de goot zelf maakt dat verschil weinig uit: die moet berekend zijn op het dagtotaal en de val van sneeuw, met of zonder cellen in de baan.
Een zuiddak wordt vaak als vanzelfsprekende keuze gezien voor dakstroom, en voor de jaaropbrengst is dat meestal terecht. Voor de vraag of geïntegreerde cellen hier de juiste keuze zijn, telt iets anders. Het rendement van deze felsbanen ligt lager dan van een los paneel op beugels, en dat verschil wordt niet rechtgetrokken door de gunstige ligging. Wat de ligging wel beïnvloedt, is hoe snel de baan na een sneeuwval weer meedoet, en dat weegt vooral mee als het gebouw juist rond het middaguur stroom gebruikt, bijvoorbeeld een bedrijfshal met dagploegen of een schoolgebouw.
Bij een gebouw waar het verbruik vooral 's avonds ligt, is de snelle terugkeer na sneeuwval minder relevant en verschuift de afweging terug naar de vraag waarom voor geïntegreerde cellen gekozen wordt: het uiterlijk van een doorlopend dakvlak zonder opstaande panelen, en het feit dat het dak toch al aan vervanging toe is of nieuw gebouwd wordt. In dat geval betaal je één keer voor dak en opwekking samen, en is de sneeuwsituatie op zich geen argument voor of tegen, eerder een praktisch punt om in de uitvoering mee te nemen.
Op een steile zuidhelling glijdt sneeuw over het algemeen sowieso sneller weg dan op een vlak dak of een flauwe helling, zoals wij bespreken bij [wat sneeuw doet op een flauwe helling](/dakstroom/sneeuw/flauwe-helling). De combinatie van een steile zuidhelling met een glad, doorlopend felsvlak geeft de kortste periode waarin een baan bedekt blijft. Op een minder steile zuidhelling ligt de sneeuw langer, ook al is de instraling nog steeds hoog, en dat verlengt de periode waarin die banen niet meedoen aan de opwekking.
De zuidhelling wordt in de praktijk zelden los beoordeeld: het gaat om het hele dakvlak, met de vorm van de kap, de plek van de nok, de goten en eventuele dakkapellen. Een zadeldak met een zuidhelling gedraagt zich anders dan een schilddak met een zuidvlak dat aan drie kanten grenst aan andere hellingen, simpelweg omdat de omliggende vlakken meebepalen waar sneeuw zich kan opstapelen voordat die het zuidvlak weer bereikt. Voor de exacte uitwerking op een concreet dak is dat iets wat wij op tekening doorrekenen, per dakvlak en per uitvoering, omdat elke kapvorm en elke omgeving anders uitpakt.
Wat er in de praktijk staat te gebeuren op een specifiek dak, met een specifieke helling en een specifieke gebruikstijd van de stroom, is niet in algemene termen te vangen. Een tekening met de werkelijke hellingshoek, de ligging ten opzichte van het zuiden en het verbruikspatroon van het gebouw geeft een concreter antwoord dan een algemene beschrijving van wat een zuiddak gemiddeld doet.