Klikzink
Een sporthal heeft een dakvlak dat vaak groot en overspannend is, zonder tussensteunpunten, omdat de zaal onder de kap vrij van kolommen moet blijven. Dat maakt het dakvlak op papier aantrekkelijk voor opwekking: één groot vlak, weinig obstakels, veel oppervlak in dezelfde richting. Maar de vraag die er echt toe doet, is niet hoeveel dat dak zou kunnen opwekken. Het is wat er met die stroom gebeurt op het moment dat hij wordt opgewekt, en of dat moment samenvalt met het moment dat de hal stroom nodig heeft.
Bij een sporthal valt dat meestal niet samen. De zon staat op zijn hoogst rond het midden van de dag. Het verbruik van een sporthal piekt 's avonds: verlichting aan, warmwater voor de douches, ventilatie op vol vermogen, soms een sportkantine erbij die ook stroom trekt. Op een doordeweekse middag, wanneer de hal leeg staat of er hoogstens een schoolklas gymt, wekt het dak stroom op die de hal op dat moment niet nodig heeft. Die stroom moet dan ergens heen. Dat is waar het net in beeld komt.
Stroom die je zelf gebruikt op het moment dat hij wordt opgewekt, bespaart je de aankoop van diezelfde stroom bij de leverancier. Stroom die je niet zelf gebruikt, gaat het net op, en wat je daarvoor terugkrijgt is een andere, doorgaans lagere vergoeding. Voor een sporthal met een middagdal en een avondpiek betekent dit dat een groot deel van de opwekking niet direct wordt weggenomen door het gebouw zelf, maar wordt teruggeleverd. Een groot dak wekt dan wel veel stroom op, maar een groot deel daarvan heeft niet de waarde van bespaarde inkoop, het heeft de waarde van teruglevering.
Dit is de reden waarom de omvang van het dakvlak niet de doorslaggevende maat is. Twee sporthallen met een identiek dakoppervlak kunnen totaal verschillend uitpakken, afhankelijk van wanneer de zalen bezet zijn, of er 's ochtends al lessen zijn, of er een kantine of horeca bij zit die ook overdag stroom vraagt, en of er apparatuur is die je kunt laten meelopen op het moment dat de zon schijnt in plaats van wanneer het toevallig nodig is. Een sporthal die overdag ook gebruikt wordt, door verenigingen, scholen of een fysiotherapiepraktijk in een aanbouw, benut een groter deel van de eigen opwekking dan een hal die alleen 's avonds open is.
Dit is niet een reden om van een felsdak met geïntegreerde cellen af te zien. Het is een reden om bij de opzet van het project naar het hele plaatje te kijken, niet alleen naar het dakvlak. Bij een sporthal met een grote avondpiek en een rustige middag kan het de moeite waard zijn om te kijken naar een batterij die opgewekte stroom uit de middag vasthoudt voor de avond, naar sturing die apparatuur zoals ventilatie of warmwaterbereiding naar de middaguren verschuift, of naar een kleinere opgestelde capaciteit die beter aansluit bij wat de hal structureel zelf gebruikt. Dat zijn geen beslissingen die op deze pagina worden genomen. Het zijn vragen die je met de installateur en de exploitant van de hal doorloopt voordat het dak wordt uitgewerkt.
De felsbaan zelf verandert daarbij niets aan het principe. De cellen liggen in het dakvlak, blind bevestigd onder de fels, zonder beugels of doorboringen, en leveren stroom zodra er licht op valt, net als een paneel op beugels zou doen. Het net doet met die stroom niets anders dan het bij een regulier paneel zou doen: wat niet direct wordt verbruikt, wordt teruggeleverd, tegen de voorwaarden die de netbeheerder en energieleverancier daarvoor stellen. Die voorwaarden, en de vergoeding die erbij hoort, verschillen per situatie en per moment, en zijn niet iets waar wij als dakleverancier een uitspraak over doen. Wat wij wel kunnen doen, is op tekening laten zien wat een dakvlak van een bepaalde omvang en oriëntatie aan vermogen kan leveren, zodat de installateur daarmee kan rekenen aan de kant van verbruik en teruglevering.
De vrije overspanning van een sporthal, zonder tussensteunpunten, is voor de constructie van het dak een voordeel: één doorlopend vlak, één richting van de banen, geen doorvoeren voor kolommen die de indeling van cellen en niet-cellen zouden verstoren. Voor de opwekking zelf is die vrije overspanning neutraal. Het dakvlak bepaalt hoeveel vermogen er theoretisch beschikbaar is op een zonnige middag, niet hoeveel daarvan de hal daadwerkelijk zelf gebruikt. Een groot dak met een ongunstig verbruikspatroon levert veel teruglevering op. Een kleiner dak op een gebouw dat de hele dag bezet is, kan een groter deel van de eigen opwekking direct benutten. Beide situaties zijn op zichzelf niet fout, ze vragen alleen om een andere manier van rekenen dan alleen naar vierkante meters dak te kijken.
Bij een sporthal die toch nieuw gebouwd wordt of waarvan het dak toch aan vervanging toe is, is de vraag naar het net vooral een vraag voor het ontwerpteam als geheel, niet alleen voor de dakleverancier. Wie de hal exploiteert, weet meestal het beste wanneer de zalen bezet zijn en waar het verbruik zit. Die informatie, gecombineerd met de tekening van het dakvlak, is waarmee een installateur een indicatie kan geven van wat er zelf verbruikt wordt en wat er teruggeleverd wordt. Wij rekenen op basis van de tekening uit hoeveel vermogen het dakvlak met geïntegreerde cellen kan leveren, per uitvoering en per orientatie van het dak. Wat daarvan bij de hal zelf terechtkomt en wat het net op gaat, is een vraag die per gebouw en per gebruikspatroon verschilt, en die je het beste samen met de installateur beantwoordt voordat het dak wordt vastgelegd.
Daarmee is het net geen reden om van geïntegreerde opwekking af te zien bij een sporthal, en ook geen reden om er blind vanuit te gaan dat een groot dak automatisch een goede investering is. Het is een reden om de vraag wanneer de hal stroom gebruikt net zo serieus te nemen als de vraag hoeveel dakvlak er beschikbaar is, en om dat gesprek te voeren voordat de banen op maat gewalst worden.