Klikzink
Een dak op het zuiden krijgt het meeste licht van alle richtingen: het hoogste dagtotaal, met een piek rond het midden van de dag. Dat maakt het zuidvlak in de praktijk het eerste dakvlak waar een opdrachtgever aan denkt zodra het over opwekking gaat. De vraag of er onder die opwekking vogels kunnen komen wordt vaak gesteld als tweede vraag, ná de keuze voor de ligging, maar hij hoort er wel bij, want een zuiddak is precies het dakvlak waar duiven en kauwen het liefst zitten. Warm, droog, veel zon; als er een spleet is om in te kruipen, wordt die gevonden.
Bij een gewoon paneel op beugels is die spleet er bijna altijd. Het paneel ligt een paar centimeter boven de dakbedekking, op een montageframe dat aan de zijkanten open is. Op een zuidvlak is dat een aantrekkelijke plek: warm van de zoninstraling overdag, uit de wind, droog. Een dakdekker die op een zonnig zuidvlak een bestaand paneelveld moet optillen voor onderhoud, vindt er met enige regelmaat een nest, wat losse veren, en een laag mest op de dakbedekking eronder. Dat is geen uitzondering die zich toevallig op het zuiden voordoet; het is het dakvlak waar de kans er het grootst op is, precies omdat het er het warmst en droogst is van alle richtingen.
Bij solarfels is die spleet er niet, op geen enkele ligging, en dus ook niet op het zuiden. De zonnecel ligt in het vlak van de felsbaan, op dezelfde hoogte als de banen ernaast, blind bevestigd onder de fels. Er is geen kier tussen paneel en dakbedekking waar een vogel in kan, omdat er geen paneel bovenop het dak ligt; de baan met de cel erin is het dak. Een kauw die op een zuiddak met solarfels neerstrijkt, vindt een gesloten metalen vlak, precies zoals op de rest van het dak. Er is niets om aan te beginnen.
Dat verandert niet doordat het zuidvlak warmer wordt dan een noordvlak of een oostvlak. De temperatuur van de dakbedekking heeft invloed op hoe aantrekkelijk een plek voor vogels is, maar alleen als er een plek is om te zitten die uit het zicht en uit de wind ligt. Op een zuidvlak zonder tussenruimte is die plek er net zomin als op een noordvlak zonder tussenruimte, zoals wij uitleggen bij [de vergelijking met vogels op een noordvlak](/dakstroom/vogels/op-het-noorden). De ligging bepaalt hoeveel stroom het dak levert, niet of er ruimte is om te nestelen. Die ruimte wordt bepaald door de constructie: ligt het paneel los boven het dak, of is het dakvlak zelf de opwekking.
Waar de ligging wel verschil maakt, is bij de afweging die aan de nestvraag voorafgaat. Op een zuidvlak is de opbrengst per vierkante meter dakvlak het hoogst van alle richtingen, en dat maakt de keuze tussen een paneel op beugels en een felsbaan met cellen erin voor veel opdrachtgevers scherper dan bij een minder gunstig vlak. Bij een zuidvlak wordt vaak het argument gebruikt dat een paneel op beugels meer wattpiek per vierkante meter haalt dan solarfels, en dat is waar; het is de reden waarom een groot zuiddak met veel vrij vlak voor een opdrachtgever die alleen naar opbrengst kijkt, eerder naar beugels neigt. Maar zodra hetzelfde zuidvlak toe is aan een nieuwe dakbedekking, of het gaat om nieuwbouw, verschuift die afweging. Dan betaal je één keer voor dak en opwekking samen, en is de vraag niet meer alleen wat de hoogste opbrengst geeft, maar ook wat er verder bij het dak komt: onderhoud, doorvoeren, en dus ook vogels.
Een tweede verschil dat de ligging met zich meebrengt, zit in de aanloop naar de vraag, niet in het antwoord erop. Op een zuidvlak wordt de temperatuur van het dakoppervlak 's middags het hoogst, en warmte trekt insecten aan; insecten trekken weer vogels aan die op jacht zijn, niet om te nestelen maar om te foerageren. Dat verandert niets aan of er onder de dakbedekking een nestplek is, maar het verklaart waarom op een zonnig zuiddak vaker vogels rondvliegen dan op een schaduwrijk noordvlak. Een opdrachtgever die op het dak staat en spreeuwen ziet scheren over een zuidvlak met solarfels, moet niet denken dat dat iets zegt over nestruimte. Die vogels jagen, ze nestelen niet, en ze kunnen dat ook niet, want er is geen kier om in te kruipen.
Een derde punt dat bij een zuidvlak vaker naar voren komt dan bij andere liggingen, is de zonnelast op de bekabeling en de aansluiting, en de vraag hoe die naar binnen gaat zonder dat er een doorvoer ontstaat die voor vogels of voor water een probleempunt wordt. Bij solarfels loopt de kabel van de baan naar een verzamelpunt onder de dakbedekking door, net als bij elke andere ligging, en die doorvoer wordt op tekening bepaald, niet aan de vogelvraag opgehangen; zoals wij uitleggen bij [hoe de stroom naar binnen gaat bij een woonhuis](/dakstroom/woonhuis/stroom-naar-binnen), is dat een detail dat los staat van de dakligging. Op een zuidvlak is er geen extra reden om die doorvoer anders te maken dan op een ander vlak, en dus ook geen extra risico op een opening waar een vogel doorheen kan.
De conclusie voor een zuidvlak is dezelfde als voor elk ander dakvlak, en dat is precies het punt: de ligging verandert de opbrengst, niet de nestruimte. Op het zuiden is de verleiding voor vogels om te gaan zitten het grootst van alle richtingen, omdat het er het warmst en droogst is, maar bij solarfels is er niets om in te gaan zitten. Het dakvlak blijft op elke ligging een gesloten vlak zonder tussenruimte. Wie op een zuiddak overweegt tussen een paneel op beugels en een felsbaan met cellen erin, kan dat het beste laten uitrekenen op tekening, met de opbrengst van het zuidvlak, de staat van de bestaande dakbedekking en de vogeldruk op die locatie als gegevens, in plaats van op een vermoeden.