Klikzink
Een vrijstaande woning heeft meestal meer op het dak staan dan een rijtjeshuis. Een schoorsteen, een dakkapel, een antenne, en vaak ook meer bomen in de directe omgeving. Al die dingen leggen een schaduw die niet stilstaat. 's Ochtends valt de schaduw van de schoorsteen naar het westen, aan het einde van de middag naar het oosten, en de vorm en lengte veranderen met het seizoen. Bij een felsbaan met geïntegreerde cellen ligt die schaduw gewoon op het dakvlak zelf, op dezelfde banen die ook de stroom leveren.
Het verschil met een paneel op beugels is de manier waarop een dakvlak in stukken valt. Een paneel bestaat uit een blok cellen dat als één geheel reageert: valt er schaduw op een deel van het paneel, dan daalt de opbrengst van het hele paneel mee. Bij een felsbaan ligt de opwekking verdeeld over de banen die naast elkaar over het dak lopen. Een schaduw die 's ochtends over drie banen langs de schoorsteen valt, raakt dat deel van het dakvlak en niet de banen aan de andere kant van het dak. Hoe de banen onderling zijn aangesloten en wat dat doet als er wél schaduw op een deel valt, leggen we uit bij [wat er gebeurt als één baan stuk is](/dakstroom/vrijstaande-woning/een-baan-stuk); daar geldt voor tijdelijke schaduw een vergelijkbaar principe als voor een defecte baan.
Bij een vrijstaande woning is de kans groter dat je met meerdere dakvlakken tegelijk te maken hebt: een voorkant, een achterkant, vaak ook een zijkant of een aangebouwd stuk met een andere hoek. Elk vlak heeft een eigen oriëntatie en een eigen relatie met de schaduwwerpers in de omgeving. Het vlak op het zuiden kan de hele dag vrij liggen, terwijl het vlak op het noordoosten 's ochtends grotendeels in de schaduw van de buurwoning valt. Dat is een ander gesprek dan bij een rijtjeshuis, waar meestal één dakvlak de enige kandidaat is.
Een boom is een andere schaduwwerper dan een schoorsteen. Een schoorsteen staat vast en de schaduw die hij legt is over de jaren heen vrijwel gelijk. Een boom groeit, verliest in de winter zijn blad, en de schaduw die hij vandaag legt is dunner dan over tien jaar. Bij een vrijstaande woning met een volwassen boom op het zuiden is de vraag niet alleen hoeveel schaduw er nu valt, maar ook hoeveel dat wordt als de kroon verder uitgroeit. Dat is geen reden om een dakvlak meteen af te schrijven, wel een reden om het gesprek daarover te voeren voordat de banen besteld worden.
Een dakkapel werkt weer anders. Die staat vast, heeft een eigen hoogte en een eigen breedte, en legt een schaduw die maar op een deel van de dag relevant is: vroeg of laat, afhankelijk van de kant waar de kapel op uitkijkt. Bij een plat dakkapel-front op het zuiden valt de schaduw voornamelijk in de vroege ochtend en late middag naar de zijkanten, en blijft het midden van het dagdeel vrij. Bij een kapel die verder naar het noorden op het dakvlak staat, kan de schaduw een groter deel van de dag over een strook banen liggen.
Bij een vrijstaande woning met meerdere dakvlakken is de eerste vraag niet hoeveel opwekking er in totaal mogelijk is, maar welk vlak de moeite waard is om te bedekken. Een vlak dat de halve dag in de schaduw van de buurwoning of een grote boom ligt, levert nooit evenveel als een vrij vlak op het zuiden of westen, ook al is de oppervlakte hetzelfde. Dat betekent niet dat zo'n vlak per se overgeslagen wordt: soms ligt het er toch mooier bij als het hele dak in dezelfde matte kleur en lijn wordt uitgevoerd, ook op het vlak dat minder oplevert. Dat is een afweging tussen aanzien en opwekking die per gebouw verschilt, en die we het liefst bespreken aan de hand van een tekening van het dak zelf.
Ook de hoek van het dakvlak telt mee, los van schaduw. Een steil dakvlak op het noorden vangt sowieso minder licht dan een vlak dak op het zuiden, met of zonder schaduwwerpers erbij. Bij een vrijstaande woning met een complex dakvlak, bijvoorbeeld met een wolfseind of een uitbouw onder een andere hoek, komt daar de vraag bij hoe de banen daar aansluiten en waar de bekabeling dan het beste kan lopen. Dat raakt aan de vraag waar de omvormer het beste geplaatst wordt, wat we behandelen bij [waar de omvormer komt](/dakstroom/vrijstaande-woning/omvormer): bij meerdere dakvlakken met verschillende opbrengst kan het namelijk lonen om per vlak of per groep banen apart te schakelen.
Neem een vrijstaande woning met een zadeldak, een schoorsteen ongeveer een derde vanaf de nok, en een grote eik op zo'n zes meter van de achtergevel. Op het zuidwestelijke dakvlak valt de schoorsteenschaduw 's ochtends over een paar banen naast de schoorsteen, en verdwijnt die schaduw tegen het middaguur. Op het noordoostelijke vlak, waar de eik overheen hangt, ligt de schaduw van de boom een groot deel van de middag over praktisch het hele vlak, en verandert dat met de seizoenen doordat het blad verdwijnt. In zo'n situatie is de conclusie meestal dat het zuidwestelijke vlak volledig wordt uitgevoerd met cellen, en dat voor het noordoostelijke vlak een andere keuze wordt gemaakt: alleen de banen zonder cellen, of een lagere dichtheid, afhankelijk van wat er verder op dat vlak gebeurt.
Zo'n afweging is nooit een vaste regel die je op elk huis kunt plakken. De hoogte van de schoorsteen, de afstand tot de boom, de richting van het dakvlak en de tijd van het jaar spelen allemaal mee, en dat verschilt van dak tot dak. Wat we wel vast kunnen zeggen is dat de manier waarop de banen zijn opgebouwd, het mogelijk maakt om per dakvlak en soms per strook een andere keuze te maken, zonder dat het aanzien van het dak daaronder verandert: de banen zonder cellen zien er hetzelfde uit als de banen met cellen.
Wat wij daarvoor nodig hebben is een tekening van het dak, met de hoogte en positie van schoorsteen, dakkapel of andere opstakels, en idealiter een indicatie van bomen of gebouwen in de omgeving die 's ochtends of 's avonds schaduw kunnen werpen. Daarmee rekenen we per dakvlak uit wat een reëel uitgangspunt is, zonder dat we daar vooraf een getal op plakken dat we niet kunnen onderbouwen.